Nu de verkiezingen achter de rug zijn, ziet de Duitse regering zich opnieuw geconfronteerd met twee grote Europese uitdagingen. Het nieuwe reddingsplan voor Griekenland zou niet veel problemen moeten opleveren. Maar daarentegen bepaalt de Europese kalender dat Griekenland, dat op 24 juni viert dat het veertig jaar geleden is dat het kolonelsregime omver werd geworpen, het eerste semester van 2014 EU-voorzitter zal zijn.

Hoewel Griekenland zeker niet over de noodzakelijke geloofwaardigheid beschikt om voor de Unie een economisch project uit te voeren, zal het voorzitterschap wel degelijk politiek van aard zijn. Begin 2014 organiseert Athene een Eurotop met westelijke Balkanlanden op Thessaloniki. Het doel van de top is een politieke verklaring waarmee een ‘ambitieuze maar realistische’ datum zal worden vastgesteld voor de voltooiing van het toetredingsproces van de westelijke Balkanlanden tot de Unie.

Geïsoleerd land

Het mag duidelijk zijn dat er ook op regionaal niveau het een en ander op het spel staat voor Griekenland: hoewel het land vastzit aan het Europese continent heeft het pas sinds de toetreding van Bulgarije tot de EU landsgrenzen met de Unie. In het zuidoosten blijft het een geïsoleerd land. De integratie van de Balkan zou Europa weer in evenwicht brengen en bevorderlijk zijn voor de democratische transitie in deze landen. Maar Duitsland mag dan niet dwarsliggen. De Duitse regering zal haar burgers moeten uitleggen waarom deze uitbreiding van de EU, ondanks de economische risico’s, nodig is.

De tweede uitdaging is er een van de korte termijn. Sinds de invoering eind 2011 van het ‘six-pack’ (de zes regels ter ondersteuning van het Europese stabiliteitspact), leiden andere cijfers dan de beroemde 3% van het bruto binnenlands product (bbp) voor de staatsschuld en de 60% staatschuld uit het Verdrag van Maastricht en het structurele tekort van 0,5% uit het begrotingspact, vooral in de eurozone tot een technocratisch geleide Unie.

Verstoord evenwicht

De Commissie stelt inmiddels ieder najaar een diagnose op over de macro-economische verschillen tussen de landen van de Unie. Zij doet dit aan de hand van een reeks van maar liefst elf indicatoren. Voor ieder van deze factoren is een bandbreedte aan waarden vastgesteld. Als een indicator buiten die marges valt, kan er een verstoord evenwicht worden vastgesteld. Daar kunnen we overigens meteen duidelijk over zijn: die marges zijn, net zomin als de criteria van Maastricht, gebaseerd op welke betrouwbare economische theorie dan ook.

Met dit eerste onderzoek wordt bepaald welke landen er niet in balans zijn. De toename van het aantal landen of de verergering van deze onevenwichtigheid kan in tweede instantie leiden tot een ‘nader onderzoek’.

Onevenwichtig verklaard

In november 2012 werden dertien landen van de Unie, waaronder Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk verklaard tot ‘onevenwichtig’. Maar in het voorjaarsrapport, dat besproken werd tijdens wat het ‘Europees semester’ wordt genoemd, werd deze onevenwichtigheid niet bestempeld als ‘excessief’, in tegenstelling tot de problemen in Spanje. Gelukkig maar! Want een land dat een ‘excessieve’ onevenwichtigheid kent, zal door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen moeten nemen.

Als een land dit tot twee keer toe niet doet, kan er een hoge financiële sanctie worden opgelegd van 0,1% van zijn bbp. Daarnaast wordt landen met een niet-excessieve onevenwichtigheid sterk aangeraden de aanbevelingen van de Commissie op te volgen.

Tegemoetkoming aan Duitsland

Duitsland werd niet als ‘onevenwichtig’ bestempeld, maar ontsnapte ternauwernood aan dat predicaat. Want een van de criteria is het saldo van de handelsbalans: dat mag gedurende periode van drie jaar, geen voortschrijdend gemiddeld tekort vertonen dat hoger ligt dan 4% van het BBP, maar er mag ook geen sprake zijn van een handelsoverschot dat hoger ligt dan 6% van het BBP.

Deze tweede waarde is in feite een tegemoetkoming aan Duitsland, dat zeer veel exporteert. Kanselier Merkel dacht dat de bezuinigingen die de periferielanden in Zuid-Europa werden opgelegd, het Duitse saldo wel aan de goede kant van de 6% zou houden, een percentage dat al hoog genoeg is.

Geen macro-economische onbalans

Duitsland zou er zo niet van beschuldigd kunnen worden te concurrerend te zijn, en het evenwicht in de Unie te verstoren. Het zouden juist de andere landen zijn die aangemerkt konden worden als onvoldoende concurrerend: daarmee hervinden we de rode draad die de Commissie sinds het begin van de crisis volgt.

Maar toen begon Duitsland ineens steeds meer te exporteren. Daarop volgde het besluit de voorlopige cijfers die aan Eurostat werden geleverd, te ‘bewerken’. En kijk, het voortschrijdend gemiddelde dat de Commissie in het najaar van 2012 berekende, bedroeg… 5,9%! Duitsland kende dus geen macro-economische onbalans… De definitieve cijfers die in het voorjaar van 2013 gepubliceerd werden, spraken van een gemiddelde van 6,1%. Maar toen was het te laat, het Europees semester was al van start gegaan en in Duitsland werd verkiezingscampagne gevoerd.

Absurd beleid

Dit alles laat de absurditeit van een automatisch, becijferd beleid zien: de diagnose kan veranderen met de uiteindelijk beschikbare cijfers. En wat doen we met een land dat sancties kreeg opgelegd vanwege van statistieken die uiteindelijk onjuist blijken?

In de tussentijd zijn de Duitse overschotten toegenomen. De cijfers kunnen onmogelijk worden bijgesteld, voor de periode 2010-2012 zijn ze vrolijk op weg naar een percentage van 6,4 tot 6,6% van het bbp. Duitsland is daarmee in zijn eigen val getrapt, en de Europese Commissie ook.

De cijferdictatuur zou het moeten toestaan hervormingen op te leggen, ondanks de reputatie van Duitsland als beste jongetje van de klas. Met de Europese verkiezingen in het vooruitzicht is het moeilijk voor te stellen dat de Grieken, Fransen of Spanjaarden een voorkeursbehandeling van Duitsland over hun kant zullen laten gaan.