Het zichtbaar welvarende Oostenrijk is een van de Europese winnaars: het land kan bogen op het laagste werkloosheidscijfer van het continent en de economie groeit nog steeds, ondanks de mondiale financiële crisis en de onrust in de eurozone. Dat is te danken aan de banden met de sterke economie van Duitsland en aan het profijt, dat niet alleen is getrokken uit het lidmaatschap van de Europese Unie, maar ook uit de openstelling van het voormalige Habsburgse achterland, na de val van het IJzeren Gordijn in 1989.

Toch hebben bij de verkiezingen van het afgelopen weekend de partijen die een eigen, Oostenrijkse versie van het rechtse populisme uitdragen ruim een kwart van de stemmen getrokken – slechts iets minder dan in 2008, toen de extreemrechtse Jörg Haider, die twee weken later bij een auto-ongeluk om het leven kwam, nog de boventoon voerde. Dit is een duidelijk signaal van de malaise in Europa.

Het is een ontnuchterende boodschap voor de pro-Europese regering. De twee grootste partijen zijn partners in een centristische coalitie van links en rechts, die een groot deel van de afgelopen dertig jaar aan de macht is geweest. Hoewel ze de Europese crisis ontegenzeggelijk met de nodige bekwaamheid tegemoet zijn getreden, zijn ze daarvoor niet beloond. Elk van beide partijen boekte het slechtste resultaat na 1945.

“Weinig historisch bewustzijn”*

De twee partijen hebben wel nog steeds een meerderheid, met 99 van de 183 zetels in het parlement, en zullen hun 'brede coalitie' waarschijnlijk voortzetten. Maar het resultaat van rechts, dat heel weinig kans maakt om in de regering te komen, is slecht gevallen bij Oostenrijkers die zich zorgen maken over de xenofobie in hun land en het nazistische verleden als een waarschuwing opvatten. De kiezers van de Vrijheidspartij hebben “weinig historisch bewustzijn” aan de dag gelegd, aldus Georg Hoffmann-Ostenhof, een columnist van het weekblad Profil.

Hoewel de uitslag veel over Oostenrijk zegt, is het ook een nieuw hoofdstuk in de problemen van de Europese Unie.

Hoewel de uitslag veel over Oostenrijk zegt, is het ook een nieuw hoofdstuk in de problemen van de Europese Unie. In het hele blok van 28 staten beschouwen de kiezers deze organisatie grotendeels als een verafgelegen en gezichtsloze bureaucratie in Brussel. Zij blijven stemmen met een lokaal doel voor ogen, ook al zijn ze voor de huidige successen en de toekomstige rijkdom en groei van hun land steeds afhankelijker van gewicht van de bijna vijfhonderd miljoen mensen van de Unie op het wereldtoneel. Het feit dat Oostenrijk het binnen Europa relatief goed doet – het land kent een werkloosheidspercentage van 4,5 procent – geeft in het stemhokje niet de doorslag, aldus Andreas Schieder, sinds 2008 de sociaaldemocratische staatssecretaris van Financiën. “De mensen zijn niet de hele dag met dit soort vergelijkingen bezig”, zegt hij, maar oordelen aan de hand van hun dagelijkse ervaringen.

Navelstaarderige xenofobie

Voor ontevreden, laaggeschoolde werknemers wier banen aan het verdwijnen zijn, heeft dit zich de afgelopen twintig jaar vertaald in de bereidheid om de sociaaldemocraten de rug toe te keren en populistisch te gaan stemmen, zo blijkt uit verkiezingsanalyses. Ook voor anderen, zelfs liberaal-gezinden met een bedrijfsvriendelijke instelling, zijn lokale kwesties – zoals de broodnodige herziening van het onderwijs – bepalend voor hun stemgedrag.

Dat geldt voor mensen als Bernhard Hoetzl (41), die er trots op is dat hij werknemers uit acht landen in dienst heeft bij zijn jongste start-up, kompany.com, die uit miljarden pagina's aan overheidsinformatie bedrijfsprofielen destilleert om de internationale handel te vergemakkelijken. Ook Hoetzl heeft de grote partijen genegeerd en zijn stem gegeven aan [Die Neos], een nieuwe partij die goedgezind is jegens het bedrijfsleven en bij haar allereerste poging meteen in het parlement is gekomen.

Op vele manieren belichaamt Hoetzl, die in Dublin, Londen en Zwitserland heeft gewerkt en op plekken als de universiteit van Stanford heeft gestudeerd, het 21ste-eeuwse succes van Oostenrijk, maar ook de paradoxen van het land: welvaart in combinatie met populistische ontevredenheid; een land dat wordt getekend door een bepaald soort navelstaarderige xenofobie, maar waar ook steeds meer mensen zoals hij de diversiteit omarmen en de retoriek jegens buitenlanders afwijzen.

Beter af dan de meeste Europeanen

Eén van zijn veertien werknemers is Adrián Bolonio (27), een computerwetenschapper uit Alcalá de Henares, net buiten Madrid. Dertien maanden geleden had Bolonio, die net als de meeste van zijn Spaanse leeftijdgenoten geen werk had, een enkele reis naar Wenen geboekt om met Hoetzl te lunchen. Diezelfde middag nog kreeg hij een baan, en nu woont hij hier met zijn Italiaanse vriendin. Ze missen de zon en de straatcultuur van Zuid-Europa, zegt hij. Maar “als je moet eten, moet je wel aan het werk gaan”.

Deze vooruitdenkende opstelling helpt de schijnbare ontevredenheid verklaren van een volk dat, op het eerste gezicht althans, beter af is dan de meeste Europeanen. Net als de Duitsers, die een week eerder hun stem hebben uitgebracht, hebben de Oostenrijkers niet hetzelfde gedaan als de kiezers in tien andere Europese landen, waar de regering naar huis werd gestuurd. Toch maken ze zich wel zorgen over wat er morgen verkeerd zou kunnen gaan.

Johannes Kopf geeft leiding aan de Arbeitsmarkt Service, het arbeidsbureau, dat hier algemeen bekend staat als het AMS. Hij zegt dat hem door zijn Europese en Amerikaanse collega's vaak wordt gevraagd hoe Oostenrijk er toch in is geslaagd om vooral de jeugdwerkloosheid zo laag te houden.

Jeugdwerkloosheid is risico voor Europees project

Als iemand zijn of haar baan verliest, legt hij uit, schiet de staat ruimhartig te hulp. Als er bijvoorbeeld een computercursus of een cursus Duits nodig is, kan de werkloze daar met steun van de staat naar toe. Als er ergens een vacature vrij is, biedt zijn dienst de werkgever een financiële tegemoetkoming als hij een werkloze aanneemt die het langst in de WW zit. Het bestrijden van de opleidingsachterstand en de langdurige werkloosheid is volgens hem van levensbelang voor het behoud van de sociale cohesie waarop het naoorlogse Oostenrijk – evenals heel Europa – is gebouwd.

Volgens zijn cijfers geeft Oostenrijk – na Denemarken, Nederland en België – het meest uit per hoofd van de bevolking aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid. Niettemin neemt de jeugdwerkloosheid een kwart van de totale werkloosheid in Oostenrijk voor haar rekening – tegen een verbijsterend Europees gemiddelde van 44,4 procent. “Dit is een Europees probleem”, zegt hij. “En het Europese project loopt erdoor gevaar”.