Meer dan 130 jaar geleden, op 11 maart 1882, hield de Franse denker en polemist Ernest Renan op de Sorbonne een toespraak die een lange echo zou hebben. ‘Qu’est-ce qu’une nation?’, ofwel ‘Wat is een natie?’ luidde de titel, ‘Een natie is een en al solidariteit, gebouwd door de beleving van de offers die men heeft gebracht en die men bereid is opnieuw te brengen.’

Er zijn nog altijd Europese denkers en politici, zeker in Brussel, die de natiestaat het liefst willen wegvegen als een verouderde en zelfs gevaarlijke 19de-eeuwse mythe. Zij zien de crisis als een middel om nu eindelijk grote sprongen vooruit te maken, zij blijven dromen van een Europese federatie. Als we Renans heldere verhaal toepassen op ons continent, dan is echter van zo’n Europese natie zelfs na een halve eeuw nog weinig te bespeuren. Als iets is aangetast, door de crisis en de daaropvolgende extreme bezuinigingsdrift, dat is het juist de door Renan benadrukte solidariteit en wil om samen verder te gaan.

Goedbedoelde Brusselse verordeningen

Dat is echter niet het enige. Het probleem met al die grote Europese dromen is dat, met het verwerpen van de natiestaat, meestal ook het belang van de factor ‘plaats’ van tafel wordt geveegd. De half illegale rauwmelkse kazen op de markt van Dieppe, het rokerige café zonder toilet van het Hongaarse dorp Vasarosbec, de chocola van Brugge, de zonnecollectoren in Neukirch, de metrobouw van Amsterdam, wat is er al niet versmoord in die hagelslag van goedbedoelde Brusselse verordeningen.

Het zijn stuk voor stuk symptomen van een Europese federatie die de afgelopen decennia volkomen uit balans is geraakt. Te veel zaken die een normaal federatief verband – zoals de Verenigde Staten – overlaat aan de lidstaten – zoals kaas en chocola – worden hier vanuit Brussel bestuurd. Te veel beleidsterreinen die, aan de andere kant, in elke federatie min of meer centraal worden aangestuurd – zoals de financiële sector, buitenlands beleid en defensie – liggen in Europa vaak nog steeds bij de nationale hoofdsteden.

De Europese burgers voelen dat haarfijn aan. Als iets, naast het gebrek aan democratie, de steun voor de Europese Unie ondermijnt, dan is het dit.

Introductie van een Europese senaat

Moeten we de natiestaat weer in volle glorie te herstellen, zoals sommigen bepleiten? Moeten we dan zonder de EU duizend-en-één zaken als Europeanen gemeenschappelijk regelen, variërend van visserijquota tot financiële afspraken en het energiebeleid? En dan zwijg ik nog over de klimaatvraagstukken die in deze 21ste eeuw in rap tempo op ons afkomen. Is de wereld niet zelf allang de nationale verbanden ontgroeid?

Of we het nu leuk vinden of niet, we moeten voor die overal aanwezige Europese ‘ruimte’ bepaalde, democratisch gecontroleerde, vormen zien te vinden

Of we het nu leuk vinden of niet, we moeten voor die overal aanwezige Europese ‘ruimte’ bepaalde, democratisch gecontroleerde, vormen zien te vinden. Dat is lastig en zeer problematisch, maar we kunnen onmogelijk terug naar 1956.

Waar de natiestaat wel een nieuwe plaats zou kunnen verwerven, is binnen de Europese democratie. Je kunt dan ook met reden pleiten voor de introductie van een Europese senaat waardoor, net als in Amerika, dat nationale element binnen het Europees Parlement en binnen de Europese democratie wordt versterkt. Minstens zo belangrijk is de verandering van het nationale ideaal, van het 19de-eeuwse ‘bloed,- taal,- en bodem-ideaal’ naar het meer politieke ideaal zoals de Amerikanen dat kennen. Ook in Europa is dat proces nu in volle gang.

Europese Renaissance

Er zal, na deze crisis, een Europese Renaissance komen. In welke vorm ook. We zullen vanuit die zwaar beproefde Europese Unie, een Europese ruimte moeten hervinden waarin iedere Europeaan zich wel op een of andere manier thuis voelt. Minder gedreven door dromen en idealisme, vrees ik, meer uit bittere noodzaak. Niet triomferend, maar realistisch en bescheiden.

In de eerste plaats door in de Europese regelgeving en instituties veel meer rekening te houden met de waarden rondom het begrip ‘plaats’. Door alles wat daarmee samenhangt te respecteren, te koesteren en, zo mogelijk, te beschermen tegen het al te massieve Europese en globale geweld.

Die ruimte moet ook worden geschapen binnen het politieke debat, al was het alleen al door al diegenen die zich niet meer thuis voelen op hun eigen plekje in de wereld niet enkel weg te zetten als populisten of nationalisten. Het zijn gevoelens die, inderdaad, altijd weer door ultra-rechts worden geëxploiteerd. Maar dat heeft alles te maken met het feit dat progressieve en liberale bewegingen, stelselmatig veel te weinig oog hebben gehad voor de menselijke behoefte aan een thuis, inderdaad, aan een plaats, en alles wat daarmee samenhangt.

Paralelle economieën van lokale netwerken

In de tweede plaats kan die balans worden hersteld door veel meer oog te hebben voor wat het plaatselijke kan betekenen voor Europa. Overal, vooral in het zuiden, zie je bijvoorbeeld hoe, door nood gedwongen, parallelle economieën ontstaan gebaseerd op lokale kennis en producten, lokale netwerken – dus zonder tussenhandel, lokale kredietverstrekking, lokaal vertrouwen.

Ten slotte kan de balans worden hersteld door de verruiming van het begrip ‘plaats’ die vooral de laatste decennia gaande is. In toenemende mate zie je hoe het begrip ‘plaats’ juist buiten die nationale kaders treedt, soms is het de regio – vaak grensoverschrijdend – soms het dorp, steeds vaker de stad.

Het zijn op dit moment bijvoorbeeld vooral de steden waar creativiteit en innovatie hoogtij vieren, tegen alle pessimisme in, waar migranten komen en gaan, waar de stadsbesturen de nationale barrières doorbreken en elkaar vinden, overal ter wereld. We zijn bezig, ook voor deze crisis, ook daarna, met een langdurig en moeizaam proces. Met opstaan en vallen zijn we op weg naar een Europa van mensen, in plaats van een Europa van staten.

Dit is het tweede ingekorte deel van de Abel Herzberglezing van Geert Mak, georganiseerd door Trouw en De Rode Hoed. Lees hier deel 1.