In 2003, precies tien jaar geleden, tijdens herfstachtige dagen als deze, infiltreerde ik in de wereld van de mensenhandel. Ik begon toen mijn reis van Afrika naar Europa, door Senegal, Mali, Niger, Libië, Algerije en Tunesië en ten slotte het eiland Lampedusa, in Italië, Europa. Ik had besloten om Bilal te worden, de valse naam die ik mezelf had gegeven toen ik naar de helikopterbeelden keek van lichamen die in de Middellandse Zee dreven met het gezicht naar beneden, opgezwollen als kussens en met de armen gespreid in een onbeantwoorde omhelzing.

Dit was de schipbreuk, een van de vele, voor Kerkennah, het mythologische eiland van Tunesië: 41 overlevenden, 12 gevonden lichamen en 197 vermisten, zo vertelden wij journalisten in de uren die volgden. Er zijn sindsdien tien jaar verstreken en in die tijd is het leven voor nog eens duizenden vluchtelingen in dat onbeweeglijke beeld stil blijven staan: het gezicht onder water, opgezwollen lichamen, de armen gespreid.

Begin vorige week strandde op vijftig meter van een Siciliaans strand een boot met jongens uit Eritrea die waren ontsnapt aan de dictatuur van Isaias Afewerki en met Egyptenaren die op de vlucht waren voor de politieke crisis in hun land. Ze waren door de smokkelaars met zwepen geslagen zodat ze in het water zouden springen. Dertien van hen verdronken.

19.142 doden sinds 1988

Enkele uren later brak er brand uit op een vissersboot met meer dan 500 vluchtelingen uit Eritrea en Somalië en het schip sloeg enkele honderden meters voor het eiland Lampedusa om. De balans: 155 overlevenden, 121 geborgen lijken van mannen, vrouwen en kinderen en meer dan 200 lichamen die nog vastzitten in het schip op veertig meter diepte of zijn verdwenen in zee. In dit deel van de Middellandse Zee telt Fort Europa sinds 1994 al 6.825 doden, waarvan alleen al 2.352 in 2011. Langs de hele Europese grens, van de Canarische eilanden tot Turkije, komt het aantal slachtoffers sinds 1988 op 19.142.

Het meest wrange is dat al deze mensen zijn omgekomen als gevolg van twee kartonnetjes met een handvol bladzijden ertussen: de omvang van een paspoort. Alleen dankzij mijn tocht door de Sahara in vrachtwagens die uitpuilden van de mensen of opgesloten als Bilal in een detentiekamp voor zogenoemde illegale migranten, heb ik begrepen wat voor buitengewoon en duivels vervoersmiddel het paspoort is. Als je over het juiste beschikt, steek je de grenzen over en behoor je tot degenen die het hebben gered.

Heb je het verkeerde paspoort en wil je jezelf in veiligheid brengen, dan moet je je leven toevertrouwen aan de maffia van de mensensmokkelaars en behoor je tot de drenkelingen. Maar mogen we jongeren, vrouwen en kinderen en hun vaders laten omkomen door twee kartonnetjes met een handvol bladzijden ertussen?

Ieder land voor zich

De Europese Unie heeft de afgelopen jaren honderden miljoenen euro uitgegeven om de grenzen te bewaken met de politiemacht Frontex Europe. De lidstaten konden het hierover gemakkelijk eens worden. Maar als het gaat om de toepassing van de verdragen betreffende vluchtelingen, de vaak verzuimde plicht om hulp te bieden op zee en de wetgeving op het gebied van migratie is er nauwelijks een cent uitgetrokken.

Het is ieder land voor zich. Deze opstelling heeft een ideologische aanpak van dit fundamentele vraagstuk in onze hedendaagse geschiedenis in de hand gewerkt, in plaats van een menselijke aanpak. Men blijft de vluchtelingenboten als het probleem zien en kijkt niet naar de gevolgen.

Doordat er geen gemeenschappelijk plan bestaat voor de tienduizenden vluchtelingen uit Syrië, Eritrea, Somalië en andere landen en geen menselijke corridors worden geopend in een gebied dat zich uitstrekt van de detentiekampen in Libië tot de vluchtelingenkampen in Turkije, zijn de mensensmokkelaars paradoxaal genoeg het enige internationale agentschap geworden dat in staat is om een uitweg te bieden. Met deze tragedies als gevolg.

Handtekeningenactie gestart

Dit alles kon niet voorkomen dat de Europese Unie bijna een jaar geleden, in 2012, de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. Met de beelden van drijvende lichamen in zee opnieuw op het netvlies voelde ik daarom de behoefte het zwijgen te doorbreken. Op de website van L’Espresso, het Italiaanse weekblad waarvoor ik werk, ben ik een handtekeningenactie gestart om de Nobelprijs voor de Vrede, misschien al in 2014, toe te kennen aan de duizenden overlevenden en drenkelingen die op de vlucht zijn geslagen voor oorlog.

Wie vertegenwoordigt beter de vrede in de wereld dan zij? En omdat de Nobelprijs gewoonlijk niet wordt uitgereikt aan vermiste drenkelingen, bedacht ik dat de kleine gemeente van Lampedusa en zijn inwoners kandidaat kunnen zijn in naam van de overlevenden, de duizenden doden en al diegenen die deze jaren aan een stuk door de overlevenden aan land hebben gebracht en de lijken hebben geborgen.

Lampedusa is niet de Italiaanse staat die door een absurde wet nu bepaalt dat de 155 overlevenden van deze laatste ramp zich moeten verantwoorden voor de rechter. Het is ook geen Europa, aangezien Afrika geografisch gezien dichterbij is. Lampedusa is de eerste werkelijke en symbolische verbinding tussen ons toeschouwers en de verhalen van alle mannen, vrouwen en kinderen die zich vastklampen aan zijn kalkrotsen om ons om hulp te vragen. Lampedusa en zijn zesduizend inwoners vormen een plek van menselijkheid die de afgelopen tragische tien jaar altijd bleef vasthouden aan zijn verstand en dat gemeenschapsgevoel dat ons als vrij denkende individuen verbindt en geen onderscheid maakt tussen mannen en vrouwen. En dat vergeet of zij vrienden of vijanden zijn, landgenoten of vreemdelingen, staatsburgers of illegalen.

Gered door een elektricien

Ik heb het aan den lijve ondervonden. Letterlijk. In de nacht van 23 op 24 september 2005. Een man die ik niet kende en die mij niet kende, merkte mij op in zee, zwemmend naar de kust. Hij hielp mij op de rotsen klimmen. Hij legde mij neer op de stenen. Hij trok zijn trui uit en legde deze over mijn borst. Ik bleef maar rillen van de kou. Toen is hij met zijn hele lichaam op mij gaan liggen. Hij woog heel wat. Zo heeft hij mij opgewarmd. Zonder te weten wie ik was. Ik was vies, ik had een baard van maanden, ik kon wel een besmettelijke ziekte hebben.

In gedachten hoor ik nog steeds zijn stem, zijn woorden. “Deze arme kerel riep al bijna vijf uur om hulp”, zei hij tegen de mensen om hem heen. “Om tien uur hoorde ik hem schreeuwen. Ik dacht dat het zo’n dronken toerist was die op het strand sliep en ik vroeg hem zelfs wat er aan de hand was. Mijn god, vergeef me. Hij is ijskoud. Hij rilt… Kijk, ze brengen je al een deken zodat je warm wordt.” Vervolgens ging hij op zijn knieën zitten om mijn voeten warm te wrijven. Enige tijd na de publicatie van mijn onderzoek in L’Espresso en het boek ‘Bilal’ hebben we elkaar voor het eerst teruggezien. Massimo Costanza was geen hulpverlener van beroep. Hij werkt als elektricien in een hotel, hij heeft een vrouw en kinderen. Een doodgewone man.

De Nobelprijs voor de vrede heeft zijn functie in de wereld. Als Aung San Suu Kyi hem niet had gekregen, hadden waarschijnlijk heel weinig mensen geweten van de tragedie van de dictatuur in Birma. Daarom vraag ik iedereen om deze petitie te tekenen: om de muur van stilte te doorbreken en heel de wereld te laten weten wat er gebeurt aan de zuidelijke grens van de Europese Unie.