Met het het laatste rapport over de voortgang van de onderhandelingen over toetreding van Turkije tot de EU, kan de huidige polarisatie in Turkije worden doorbroken. Dit rapport stelt in staat het traject te beoordelen dat ons land tot nu toe heeft afgelegd. Zo valt in dit rapport te lezen dat “er niet genoeg onderzoek is gedaan naar de massagraven die in het oosten zijn ontdekt”, en we kunnen alleen maar blij zijn dat er een einde is gekomen aan deze nachtmerrie uit de jaren 90 [in de oostelijke regio’s waar de Koerden in de meerderheid zijn, red.]. Destijds werden dagelijks mensen gedood en hun lijken op straat gegooid.

Het feit dat de Europese Commissie zich positief uitlaat over de “herdenking in Turkije van de Armeense genocide [van 24 april 1915, red.], die vreedzaam en zonder ordeverstoringen is verlopen”, brengt in herinnering dat nog niet zo lang geleden, in 2005, een symposium op de universiteit van Istanbul over de Armeense kwestie tot grote spanningen leidde.

Nieuwe vormen van geweld

De problemen die in dit rapport aan de orde komen, zijn niet meer dezelfde als tien of twintig jaar geleden. In het hoofdstuk over marteling bijvoorbeeld wordt wel gesproken over excessief gebruik van geweld en traangas, maar niet meer over systematisch martelen. Waarmee ik de huidige problemen natuurlijk niet wil bagatelliseren.

Zo meldden mensenrechtenorganisaties talloze gevallen van verkrachting van jonge vrouwen op politiebureaus tijdens de onrusten in het Gezipark, iets wat in het rapport van de Europese Commissie overigens niet ter sprake komt. Zes jongeren zijn tijdens en na de rellen in Gezi omgekomen.

Niettemin wordt in het rapport van de Commissie uitgebreid aandacht besteed aan de protestbeweging van Gezi. Veertien keer worden er de “demonstraties in Gezi” genoemd, met een verwijzing naar het gewelddadige politieoptreden, de beperking van de vrijheid van meningsuiting in de sociale media en de waarschuwingen van de Turkse overheid aan televisiezenders die beelden uitzonden van de demonstraties op het Taksimplein.

De Commissie wijst in dit verband ook op de zelfcensuur van de media en het al dan niet gedwongen ontslag van journalisten die kritiek hadden op de aanpak van de regering om de crisis te bezweren. Het is dan ook te hopen dat de regering van de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (de conservatief-islamitische AKP, die in Ankara aan de macht is) het rapport rustig doorneemt en er aanleiding in ziet voor enige zelfkritiek.

Problemen die voortduren

Daarnaast geeft het rapport aan wat er de afgelopen twintig of dertig jaar niet is veranderd in ons land. De Commissie wijst erop dat niet-moslims [Armeniërs, Grieken, Joden] nog altijd geen rechtspersoonlijkheid bezitten, waardoor gemeenschappen die tot deze groeperingen behoren geen eigendom kunnen verwerven, geen geld kunnen inzamelen en geen geestelijk leiders kunnen aanstellen die niet de Turkse nationaliteit hebben.

Andere voorbeelden van wat in Turkije bij het oude blijft, zijn het niet toestaan aan de orthodoxe patriarch van Constantinopel om zich ‘oecumenisch’ te noemen en de weigering om toestemming te geven voor de heropening van het orthodoxe theologische instituut van Halki (Istanbul) [gesloten in 1971, red.].

Verder komen in het rapport van de Commissie de gebreken van het Turkse rechtssysteem aan de orde, zoals incapabele procureurs, het ontbreken van gerechtshoven en de zeer beperkte toegang van de verdediging tot de dossiers van verdachten. Het rapport ziet echter ook enige vooruitgang op dit gebied, zoals de aanzienlijke daling van het aantal gevangenen.

Al met al biedt het rapport een goed kader voor wie Turkije wil begrijpen zonder de polariserende opstelling van degenen die Turkije met alle geweld willen zien als een vergevorderde democratie en degenen die spreken van een fascistisch regime, die iedere analyse bij voorbaat uitsluit. Het is dan ook te hopen dat het de komende dagen zal leiden tot een onpartijdige discussie in de Turkse publieke opinie.