We zijn plichtsverzuimers. Maar dat zijn we allemaal in Europa, voor een keer. Goed, het is een schamele troost, want Europa zal hoogstwaarschijnlijk zijn energie- en milieuverplichtingen (die, zoals we inmiddels weten, hand in hand gaan), opgenomen in de zogenoemde 20-20-20-doelstellingen, niet nakomen. In deze doelstellingen is vastgelegd dat alle lidstaten voor 2020 20 procent minder CO2 zullen uitstoten ten opzichte van 1990, het energieverbruik met 20 procent zullen verminderen en dat 20 procent van het energieverbruik afkomstig moet zijn uit hernieuwbare energiebronnen.

Europa als geheel zal zijn einddoel niet halen. En geen enkel land van de EU zal er trouwens in slagen alle drie de doelstellingen, die in 2008 in een routekaart werden vastgelegd, te bereiken en zich zo te onttrekken aan dit algehele debacle. Zo staat te lezen in het rapport "Trends and projections in Europe 2013 – Tracking progress towards Europe's climate and energy targets until 2020", opgesteld door het Europees Milieuagentschap.

Onhaalbare doelstelling

Voor Europa als geheel lijkt het streven naar een vermindering van het energieverbruik met 20 procent het minst haalbaar. Op dit moment zijn volgens het agentschap slechts 4 van de 26 lidstaten die de doelstelling hebben onderschreven (Kroatië en Slovenië doen niet mee) op de goede weg: Frankrijk, Duitsland, Bulgarije en Denemarken.

Daar hebben het fiscaal beleid en de maatregelen voor meer energie-efficiëntie in de industrie duidelijk hun vruchten afgeworpen. Maar het onderzoek toont aan dat het Europese verbruik van primaire energie in 2020 – crisis of geen crisis – desalniettemin afstevent op 1500 Mtoe (miljoen ton olie-equivalent), waardoor deze doelstelling beslist onhaalbaar is.

Globaal gezien komt Europa in de buurt van de ambitie om de CO2-uitstoot met 20 procent terug te dringen (de prognose is 18 procent), maar alleen dankzij de crisis die de economie en groei afremt.

Globaal gezien komt Europa in de buurt van de ambitie om de CO2-uitstoot met 20 procent terug te dringen (de prognose is 18 procent), maar alleen dankzij de crisis die de economie en groei afremt. Maar ook op dit vlak zijn er grote verschillen op te tekenen. De helft van de lidstaten, 14 van de 18, ligt op schema en zou het doel kunnen halen. Maar voor Spanje, België, Ierland, Luxemburg, Oostenrijk, Estland en zelfs het groene Finland is dit doel al buiten bereik. En ook de andere lidstaten, Italië inbegrepen, zullen volgens het Europees Milieuagentschap de doelstellingen alleen kunnen behalen als zij hun huidige inspanningen versterken.

Race met meerdere snelheden

Ook als het gaat om de derde doelstelling – 20 procent van het energieverbruik uit hernieuwbare energiebronnen halen – loopt elke lidstaat zijn eigen race. De cijfers voor heel Europa zijn wat aan de oude kant: in 2011 maakte hernieuwbare energie 13 procent van het totale energieverbruik uit. Dit leek min of meer in lijn met het streven voor 2020, maar ook dit is een race met meerdere snelheden. Achteraan lopen Frankrijk (in weerwil van degenen die tevergeefs willen dat kernenergie – de meest gebruikte energiebron in Frankrijk – als hernieuwbare energie wordt beschouwd) en verder België, Engeland, Nederland, Malta en Letland.

Een vraagje: hadden degenen die al vanaf het begin beweerden dat het pakket 20-20-20 eigenlijk onrealistisch en te ambitieus was misschien gelijk? Of klopt toch eerder de bewering dat zelfs een half gelopen race in de juiste richting als een succes kan worden bestempeld?