Estland zal op 1 januari als eerste van de drie Baltische republieken toetreden tot de eurozone. Wat betekent dit voor de samenwerking en de solidariteit tussen de Baltische staten? "Een pessimist zal zonder enige twijfel wijzen op de verschillen op de korte termijn: Estland zal profijt trekken van deze situatie en zal worden beschouwd als een stabiel land. Het zal meer buitenlandse investeringen aantrekken en een hogere waardering krijgen van de internationale ratingbureaus", aldus politicoloog Andres Kasekamp.

"Als je het echter optimistisch bekijkt, zoals ik," vervolgt hij, "dan denk je terug aan de situatie van 1997. Estland werd toen als eerste gevraagd om lid te worden van de Europese Unie, hetgeen Litouwen en Letland motiveerde en stimuleerde om meer hun best te doen en om hun achterstand op Estland goed te maken."

Het verzoek om toe te treden tot de Europese Unie zorgde er volgens Andres Kasekamp in 1997 voor dat de scheidingslijn die bestond tussen de Baltische staten, die zowel voormalige Sovjetlanden als Europese landen zijn, werd opgeheven. Op dezelfde manier moet de toetreding tot de eurozone worden gezien als een nieuwe stap voorwaarts en niet als een verwijdering tussen Estland en de andere twee republieken.

Eerder concurrenten dan partners

In het buitenland vindt men dat de Baltische staten zouden moeten samenwerken, maar volgens politicoloog Kasekamp beschouwen deze landen elkaar eerder als concurrenten dan als partners. Ze hebben immers dezelfde middelen van bestaan en ze voeren onderling strijd om naar dezelfde markten te exporteren en om dezelfde directe buitenlandse investeringen aan te trekken.

"Als u als land wilt toetreden tot de EU en de NAVO, dient u te bewijzen dat u er klaar voor bent om samen te werken. Deze tamelijk pittige aansporing werkte goed aan het eind van de jaren 90. In diezelfde tijd waren wij echter verdeeld over de kwestie van de Baltische identiteit. De discussie hierover was aangezwengeld door de toenmalige Estische president, Toomas Hendrik Ilves, die vond dat Estland tot de Noordse landen behoorde en geen Baltische staat was", licht Andres Kasekamp toe.

Volgens de politicoloog zijn de beste voorbeelden van samenwerking tussen de Baltische staten te vinden op militair gebied, zoals het marine-eskader BALTRON, het bataljon BALBAT en de Baltische defensieschool in Estland. Al deze projecten zijn tot stand gekomen op initiatief van westerse partners, die ze ook steunen.

Letland en Estland: bovenal goede Europeanen

Andres Kasekamp vindt evenwel dat de samenwerking terugloopt, als je de missie van de luchtpolitie of het herhaalde verzoek aan de NAVO om een defensieplan voor de Baltische staten op te stellen, buiten beschouwing laat. Want de landen nemen weliswaar deel aan missies in Irak en Afghanistan, maar er bestaat geen Baltisch bataljon.

Kasekamp staat sceptisch tegenover de gedachte dat de betrekkingen van de Baltische staten met Rusland voornamelijk afhangen van de situatie van de Russische minderheid in deze landen.

"Ik blijf erbij dat Letland de beste betrekkingen met Rusland heeft, terwijl het juist Letland is dat het strengste beleid voert als het gaat om het verkrijgen van het burgerschap, en dat de grootste Russischtalige minderheid herbergt. Wat slechte betrekkingen met Rusland betreft, scoort Litouwen iets hoger dan Estland. Tijdens de stemming binnen de EU om het partnerschap tussen de EU en Rusland en de onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst nieuw leven in te blazen, sprak Litouwen zijn veto uit. Letland en Estland hebben Litouwen daarin niet gesteund; zij sloofden zich juist uit om te laten zien dat ze goede Europeanen zijn en geen aversie tegen Rusland hebben."