Net als de beleefde gesprekken tussen de gasten dreigen stil te vallen, geeft de man het orkest een teken, grijpt de microfoon en begint een aantal folkloristische zigeunerliedjes te zingen. De zanger is niemand minder dan premier Ivica Dačić. Sinds hij vorig jaar het orkest van filmmaker Emir Kusturica in Brussel vocaal begeleidde in het kader van een forum over buitenlandse investeringen in Servië, vergast hij zijn genodigden regelmatig op een optreden.

Ivica Dačić zal nog wel een tijdje moeten blijven zingen want de ene delegatie naar de andere bezoekt het land dat in januari met de EU-toetredingsonderhandelingen begint.

Het land wacht een lang en moeizaam proces, aangezien iedere nieuwe uitbreiding volgens de nieuwe regels kan worden onderworpen aan een referendum in de landen die al EU-lidstaat zijn. En het ziet ernaar uit dat dit voor een land met een imago dat zo funest is als dat van Servië, niet louter een formaliteit zal zijn. Servië wordt vijftien jaar na de afscheidingsoorlogen in het voormalig Joegoslavië nog steeds geassocieerd met de oorlogsmisdaden in Bosnië of Kosovo en met de arrogantie van het regime van Slobodan Milošević.

Servische minderheid Kosovo

Nu ze weer zaken kunnen doen, weten de erfgenamenvan ‘Slobo’ heel goed dat de bladzijde moet worden omgeslagen. Regeringsleider Dačić, die 47 is, was eind jaren negentig woordvoerder van de partij van Milošević. Toch was hij het die het gebaar maakte om zich in Sarajevo, hoofdstad van Bosnië-Herzegovina, over te geven. En hij was het ook die, als eerste uit zijn land, de hand schudde van voormalige Kosovaarse guerrillastrijder Hashim Thaçi zijn evenknie in een Kosovo dat door Servië niet erkend wordt maar waar ze wel mee willen praten om de weg naar de Europese Unie mogelijk te maken.

In april tekenden beide mannen een akkoord over de normalisering van de verhoudingen tussen Belgrado en Pristina. Het moeizaamste hoofdstuk daaruit gaat over de afschaffing van parallelle structuren die door Belgrado gefinancierd worden, en die ervoor zorgen dat de Servische minderheid in Kosovo een mate van autonomie geniet die de Kosovaarse instellingen zelf moeten ontberen.

Incidenten bij stembureaus

Zo kan het dat de [in Kosovo woonachtige] Serven [op 3 november], daartoe voor het eerst aangemoedigd door Belgrado, meededen met de gemeenteraadsverkiezingen in heel Kosovo. Ondanks de incidenten in de stembureaus in het noorden van de opgesplitste stad Mitrovica, waar de stemming moest worden onderbroken, is de EU bereid te verklaren dat Belgrado het volgens de regels heeft gedaan. “Het is kristalhelder dat Belgrado al het mogelijke heeft gedaan om de verkiezingen goed te laten verlopen en dat de opkomst uitstekend was”, verklaarde de Zweedse minister van Buitenlandse Zaken Carl Bildt.

In Servië gaan de wens om deel te nemen aan Europa, en de noodzaak om deel te nemen aan Europa, hand in hand. Zelfs oude nationalisten zoals de 43-jarige vicepremier Aleksandar Vučić, de huidige voorzitter van de SNS (Servische progressieve partij), die zelf ook lid was van de regering onder Milošević. “Ongeveer 70% van onze aanhangers zijn inmiddels pro-Europees”, stelt hij vast. Hij moet echter toegeven dat dit cijfer slechts 50% bedroeg toen zijn partij in juni 2012 aan het hoofd van de regering kwam te staan, in een coalitie met de socialisten van Dačić.

Goed opgeleid personeel

Het blijft echter de vraag of deze verschuiving van ideeën gepaard gaat met een verschuiving in de volksaard. Het verbod vorige maand op een Gay Pride, met de smoes dat het evenement doelwit kon zijn voor extremisten, laat zien welke grenzen er aan de pacificatie zitten. “Er is niets geregeld, alles is slechts bevroren”, constateert Radomir Diklic, een van de oprichters van het onafhankelijke persbureau Beta, bitter vast. “Servië lijkt op een land dat elke avond een dosis kalmeermiddelen krijgt”.

Het moderne Servië wil laten zien dat het Europa wat te bieden heeft.

Het moderne Servië wil laten zien dat het Europa wat te bieden heeft. En dat zijn geen goedkope arbeidskrachten zoals Bulgarije en Roemenië bieden, maar goed opgeleid personeel, dat afkomstig is van universiteiten die hoog op de lijst van Sjanghai genoteerd staan. Het is niet voor niets dat Microsoft in de Servische hoofdstad een onderzoekscentrum heeft geopend waar 150 jonge onderzoekers een baan vonden die allemaal of cum laude afstudeerden in de wiskunde, of ingenieur zijn of een master in de informatica hebben. Ook het Amerikaanse Ball Packaging opende er een volledig geautomatiseerde blikjesfabriek, geleid door een jonge Servische ingenieur. Vanuit Servië verkoopt het bedrijf miljoenen drankjes, tot in Rusland, dat vrijhandelsakkoorden met Servië sloot.

Tot slot besloot ook Telenor, een Noors telecommunicatiebedrijf, om stevig te investeren in Belgrado vanwege het “hooggekwalificeerde personeel”. “De regering wil iedereen laten geloven dat Servië een modern land is geworden”, zegt Radomir Diklic. “Maar Belgrado is geen Servië. De rest van de economie is verwoest. Als er een fabriek sluit, zullen de ingenieurs vertrekken, met de leraren in hun kielzog. Daardoor zal het onderwijs aan kwaliteit inboeten.”