Iedereen die hetzelfde beroep beoefent als ik, doet alles wat in zijn macht ligt om te ontkomen aan congressen, symposia en interviews rond het obsessieve thema van de Europese identiteit. Het is een oud probleem, dat echter de afgelopen jaren waarin velen het ontkenden de gemoederen weer verhit. Het is opmerkelijk dat degenen die een Europese identiteit loochenen en het continent zouden willen opdelen in vele minuscule landjes, vaak mensen zijn met weinig culturele diepgang. Los van hun haast aangeboren xenofobie, weten zij niet dat in 1088, toen de universiteit van Bologna werd opgericht, allerlei soorten ‘clerici vagantes’ van universiteit naar universiteit trokken, van Uppsala tot Salerno en met elkaar spraken in de enige gemeenschappelijke taal die zij kenden, het Latijn. Hieruit ontstaat de indruk dat de enigen die de Europese identiteit voelen geleerde personen zijn. Het is een trieste conclusie, maar het is tenminste een begin.

Duitslandliefde

Ik zou in dit verband uit enkele bladzijden van ‘À la recherche du temps perdu’ van Marcel Proust willen citeren. We zijn in Parijs, de Eerste Wereldoorlog woedt, ‘s nachts vreest de stad luchtaanvallen vanuit zeppelins en de publieke opinie beschuldigt de gehate moffen van alle mogelijke gruwelijkheden. Toch ademen de pagina’s van Proust een Duitslandliefde, die doorschemert in de dialogen van de personages. Zo is Charlus germanofiel, al lijkt zijn bewondering voor de Duitsers niet zozeer van een culturele identiteit af te hangen als wel van zijn seksuele voorkeur: “‘Onze bewondering voor de Fransen’, zei hij, ‘mag ons er niet toe aanzetten onze vijanden te verachten. U weet niet wat voor soldaat de Duitse soldaat is, u heeft hem niet zoals ik in paradepas, in ganzenpas, voorbij zien marcheren’. Terugkomend op dat idee van viriliteit, waarop hij in Balbec een toespeling had gemaakt… zei hij: ‘Zie wat een mooie man de Duitse soldaat is, een sterk en gezond wezen dat enkel aan de grootsheid van zijn eigen land denkt, Deutschland über alles.’”

Tot zover Charlus, al manifesteren zich in zijn Duitsgezinde betogen al enkele literaire herinneringen. Maar laten we het over Saint-Loup hebben, de dappere soldaat die in de strijd zal sneuvelen. “Om me een beschrijving te geven van bepaalde licht- en schaduwcontrasten die ‘de betovering van zijn ochtend’ hadden gevormd… aarzelde hij (Saint-Loup) niet om te verwijzen naar een bladzijde van Romain Rolland, of zelfs naar Nietzsche, met de vrijheid van iemand die in de loopgraven staat en, in tegenstelling tot degenen die zich in de achterhoede bevinden, geen enkele angst voelt om een Duitse naam uit te spreken… Saint-Loup vertelde me over een melodie van Schumann, hij noemde niet alleen de Duitse titel ervan, maar gebruikte ook geen ontwijkende bewoordingen om me te vertellen hoe hij, toen hij bij het gloren van de dag aan de rand van een bos het eerste getjilp had gehoord, in een roes was geraakt alsof de vogel van die ‘sublieme Siegfried’ die hij na de oorlog hoopte te horen tegen hem had gesproken.”

De wieg van de Europese identiteit

Een ander citaat: “Ik vernam inderdaad dat Robert de Saint-Loup was gesneuveld, twee dagen na zijn terugkeer aan het front, terwijl hij dekking bood voor de aftocht van zijn mannen. Niemand heeft ooit minder haat jegens een volk gevoed dan hij… De laatste woorden die ik uit zijn mond hoorde, zes dagen eerder, waren die waarmee hij sprak over een lied van Schumann dat hij zachtjes in het Duits voor me zong op de trappen, zodat ik hem tot stilte had moeten manen omwille van de buren.” En Proust haast zich eraan toe te voegen dat de Franse cultuur het, zelfs toen, niet verbood om de Duitse cultuur te bestuderen, al was het met enige behoedzaamheid: *“Een professor schreef een aanzienlijk boek over [de Duitse poeet en filosoof] Schiller, dat werd besproken in de kranten. Maar voordat over de auteur van het boek werd gesproken, schreef men, als een rechtvaardiging voor het artikel, dat hij in Verdun had gevochten, dat hij vijf onderscheidingen had gekregen en twee zonen had verloren. Hierna werd zijn boek over Schiller geprezen om zijn helderheid en diepgang waarbij Schiller als een groot man werd aangeduid, al werd hij wel ‘deze grote mof’ genoemd, in plaats van ‘deze grote Duitser’.”

Dit is de wieg van de Europese culturele identiteit, een lange dialoog tussen literatuur, filosofie, muziek en theater. Niets wat kan worden uitgewist, ondanks een oorlog, en op deze identiteit is een gemeenschap gefundeerd die de grootste van alle barrières overwint: die van de taal.