Hoever moeten de grenzen van de Europese Unie reiken? 'Tot aan de grenzen van de gotiek', antwoordde daar ooit een grote Europeaan op, de christendemocraat Helmut Kohl, van 1982 tot 1998 de Duitse bondskanselier. Kohl gaf daarmee een essentieel cultureel en daarom Europees antwoord.

Een echo daarvan viel op 16 november te lezen in De Standaard, in het interview met de gigant Cees Nooteboom, één van de beste schrijvers die nooit de Nobelprijs Literatuur kregen. Nooteboom is intens ontgoocheld in het Europese debat omdat het niet meer over cultuur, over ideeën gaat, maar over centen en procenten.

Het Europa waarover we het zouden moeten hebben, zegt hij, is dat “van Erasmus en Voltaire, van Tolstoj en Thomas Mann, van Rembrandt en Botticelli, van Hegel en Hume”, en niet het Europa van “de drie komma nul procent”. Helemaal juist, en Nooteboom is de belichaming van dat Europa.

Ideeën van de ‘founding fathers’

Interessant aan zijn lijst is wel dat op één na alle namen die zijn van West-Europeanen, van het Europa dat het Latijnse schrift gebruikt, van het Europa van de Renaissance en de Verlichting, van het Europa dat de ideeën lanceerde van tolerantie en van regeringen die verantwoording verschuldigd zijn aan burgers die meer zijn dan onderdanen.

Dat is niet dadelijk het model dat Tolstoj voor ogen stond. Als het Rusland van Vladimir Poetin niet echt beantwoordt aan wat wij ons van een democratie voorstellen, dan heeft dat zeer veel te maken met de heel andere ontwikkeling die het Byzantijnse Europa kende, het Europa van het Cyrillische alfabet.

Door haar uitbreiding naar het zuidoosten van Europa is de Unie ten dele van identiteit veranderd

Dat vaststellen is geen historisch determinisme. Het betekent wel dat het westelijke en centrale deel van Europa zich meer 'thuis' voelt in de ideeën en idealen van de 'founding fathers' dan het Byzantijnse deel – Griekenland, Roemenië, Bulgarije, het grootste deel van de Balkan – dat bovendien door eeuwen Ottomaanse bezetting afgesneden werd van de Verlichting, en dus van Voltaire, Hegel, Hume en hun nazaten. Door haar uitbreiding naar het zuidoosten van Europa is de Unie ten dele van identiteit veranderd, en dat is eraan te merken en te voelen.

Natie is springplank naar Europa

Er is nog een andere factor. Het Europa dat Nooteboom en vele andere echte Europeanen voor ogen staat is een Europa dat als zeer 'elitair' dreigt gebrandmerkt te worden. Dat woord wordt, zeker hier te lande [in België], te pas en te onpas gebruikt tegen iedereen die opkomt voor behoorlijk taalgebruik, en voor onderwijs dat gericht is op het verwerven van kennis en inzicht, en niet op utilitaire vaardigheden. Hoe willen we generaties van Europeanen vormen zonder stevig onderwijs in de eigen taal en in andere talen?

Een andere cultuurmens, Luc Devoldere, toonde zich een echte Europeaan in zijn Pacificatielezing in Breda op 9 november. Hij sloot zijn toespraak 'Verdwaald in al onze talen', die verplichte lectuur zou moeten zijn in heel Nederland en Vlaanderen, aldus af: “Misschien zal ik – de pragmatische taalsentimentalist – in mijn laatste ogenblikken in dit leven zuchten om mijn verloren Keltisch, iets prevelen in het Latijn, zingen in het Italiaans, dromen in het Frans, en sterven in mijn WestVlaams. Maar ik zal gewaakt hebben in én bij het Nederlands. Voilà.

Of hoe je door geworteld te zijn in, door te houden van de eigen taal en cultuur een echte Europeaan wordt. De natie is inderdaad een springplank naar Europa, en niet, zoals populistische partijen nu proclameren, een zich terugplooien op de eigen kleine leefwereld.

Ooit zei Joseph Goebbels, de vertrouweling en propagandist van HitIer: “Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik mijn revolver”. De Europese Unie is gebouwd op het totaal tegengestelde idee dat we naar onze cultuur grijpen als we een revolver zien. Als we jonge generaties willen opvoeden tot vrede, tot Europa, dan moeten we ze opvoeden in die cultuur, die niet 'elitair' is maar tot ons aller erfrecht behoort.