In de loop der tijd heeft de Europese Unie een indrukwekkend onderhandelingsmechanisme ontwikkeld. Sinds de opeenvolgende golven van uitbreiding, en vooral sinds de toetreding van landen uit Midden- en Oost-Europa, is dit mechanisme nog verder verfijnd. Het is een ware prestatie dat Europa een gemene deler of althans een acceptabel raakvlak heeft weten te vinden van politieke trots, historische frustraties, economische ambities en van de echte zwakheden van zo veel landen die eeuwenlang in oorlog met elkaar zijn geweest. Dat is niet alleen een politieke, maar vooral ook een culturele prestatie, en een pronkstuk van beschaving. Europa heeft gaandeweg een subtiele onderhandelingskunst weten te smeden. In onze onstuimige en onvoorspelbare wereld moeten we dit toejuichen. Ik zie het als één van de grote overwinningen van het Europese project dat Europa erin is geslaagd om landen die nog conflicten uit het verleden met zich meeslepen om dezelfde tafel te krijgen en al deze landen met elkaar te laten communiceren en samen vooruit te laten kijken.

Er bestaat echter een risico dat Europa uit fascinatie voor dit zelf gecreëerde onderhandelingsparadijs niet meer in staat blijkt besluiten te nemen. Er bestaat het risico dat onderhandelingen een doel op zich gaan vormen: ‘We zijn er niet in geslaagd om tot een oplossing te komen en hebben het onderwerp daarom uitgesteld tot 2013. Maar we hebben toch zó goed onderhandeld!’ De Europese Unie heeft nu te maken met landen waar de besluitvorming ‘op het hoogste niveau’ snel en eenvoudig verloopt, en besluiten onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd, zoals bijvoorbeeld China. Zij ziet zich geconfronteerd met landen waar de democratie nog enigszins te wensen overlaat, maar waar de demografische ontwikkeling en het economische enthousiasme een hoge vlucht nemen, zoals India en Brazilië. Sommige politicologen voorspellen zelfs dat Europa het risico loopt de ‘beschermende paraplu’ van de Verenigde Staten te verliezen onder het motto van ‘multilateralisme’.

De Europese Unie is dan ook nog steeds geen grote wereldmacht en lijkt niet in staat een dergelijke sterke mogendheid te worden. Ook aan de komst van een voorzitter en een ‘minister van Buitenlandse Zaken’ van de Europese Unie [Herman Van Rompuy en Catherine Ashton] zijn lange onderhandelingen voorafgegaan. De personen die voor deze functies zijn aangewezen, zijn absoluut respectabel en hebben hun kwaliteiten, maar er worden kritische pijlen op hen gericht te omdat zij een ‘bescheiden profiel’ hebben. Boze tongen bewezen zelfs dat dit ook precies de bedoeling was, zodat de regeringshoofden van de lidstaten niet door hen zouden worden overschaduwd...

Zo staat de Europese Unie nu voor een dilemma. Enerzijds moet zij vasthouden aan het complexe onderhandelingsmechanisme dat een zeker succes heeft opgeleverd. Europa mag het beginsel van cultuurverschillen niet opgeven, de idee om een meervoud van nationale en lokale identiteiten onder te brengen in één Europese identiteit (die vooralsnog een droom is gebleven). Anderzijds moet Europa een belangrijke speler worden in de wereldwijde concurrentie mondiale competitie, en dus snel besluiten kunnen nemen en met één stem kunnen spreken.

Hoe kunnen er eenvoudiger besluiten worden genomen die pragmatischer zijn? Uit de crisis is gebleken dat het wel degelijk mogelijk is. De invoering van de euro was een echte buitenkans en de Europese Centrale Bank heeft gedaan wat zij moest doen. Uiteraard wordt er nu door sommigen geopperd dat bepaalde landen uit de euro moeten stappen, en daarover kan worden gesproken en onderhandeld. Natuurlijk is het een ernstige zaak. Maar zonder de euro zou de situatie oneindig veel ernstiger zijn geweest: hoeveel voormalige nationale munten hadden de crisis kunnen doorstaan?

Hoe moet er met één stem worden gesproken? Op dit punt worden de zaken complex. Nationale politieke leiders moeten de verkiezingen in hun respectieve landen zien te winnen en zullen dus altijd met twee monden spreken. Enerzijds zullen zij het over Europese integratie hebben, en anderzijds zullen zij nationale belangen zwaarder laten wegen, vooral wanneer er verkiezingen in aantocht zijn. En als er iets niet goed gaat in hun land, wordt de schuld vaak afgewenteld op ‘de bureaucraten in Brussel’.

Niet alleen zal er met meerdere (en vaak tegenstrijdige) stemmen worden gesproken, maar zoals ik tegenwoordig vaststel, zullen zij een andere toon aanslaan dan de eerste solisten die niemand minder zijn dan de voorzitter van de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken. Bovendien hebben deze twee hoge functionarissen, die op grond van het Verdrag van Lissabon zijn aangesteld, vooralsnog de taak om hun functie een concrete invulling en identiteit te geven. Hun opvolgers zullen pas echt de kans krijgen om het internationale beleid van de Europese Unie zichtbaar te maken in de wereld en een grotere partituur te spelen.

Misschien zal het te laat zijn. Misschien zal de dynamiek van de globalisering Europa ondertussen al naar een tweederangspositie hebben verdrongen. Misschien zullen we dit onvermogen om snel en voortvarend op te treden betreuren. Maar dat is de prijs die we moeten betalen als we de hoeksteen van de inhoud, elegantie en schoonheid van de Europese integratie intact willen laten: het vermogen om te onderhandelen, verschillende belangen op één lijn te krijgen en alle culturele en identiteitsverschillen een plaats te geven.

Misschien blijft de Europese Unie tot in lengte van dagen een ‘softe’ mogendheid, maar de macht van Europa huist eerst en vooral in cultuur en beschaving, in sfeer en stijl. Het gaat niet slechts om het culturele erfgoed als zodanig, om de ‘voorraad’ kunstwerken, architectonische scheppingen, muzikale composities of literaire werken. Centrale pijler zijn de ideeën waarop de Europese ruimte is gebouwd en die de rest van de wereld vervolgens hebben geïnspireerd. Een van deze ideeën is de kunst van het samenleven: burgers van een continent dat een geschiedenis vol conflicten achter zich heeft, hebben geleerd om een dialoog aan te gaan en zich tolerant op te stellen.

Europa is misschien nog geen wereldmacht. Gezien haar etnische diversiteit (inclusief immigranten uit alle windstreken) vormt de Europese Unie op zichzelf echter een metafoor voor de globalisering.