Voor wie bekend is met onderzoek naar nationalisme heeft de ontwikkeling van de Europese Unie iets raadselachtigs. Dat de EU met de groeiende invloed van haar instellingen en de toename van het aantal lidstaten pogingen heeft ondernomen om het bewustzijn van een Europese identiteit te vergroten, is niet zo vreemd.

Maar in een Europa van natiestaten is dat wel een lastige opgave. Als grote bevolkingsgroepen eenmaal een sterke nationale identiteit hebben ontwikkeld, zoals bijvoorbeeld Duitsers, Finnen en Ieren, is die buitengewoon moeilijk uit te roeien. Zo moeilijk zelfs dat de loyaliteit jegens Europa erdoor afneemt en de opbouw van een krachtige Europese suprastructuur wordt belemmerd. Toch is het proces van verdere institutionalisering gewoon doorgegaan. Hoe valt dat te verklaren?

Het lijdt geen twijfel dat de Europese Unie waarvan Ierland in 2013 lid is grondig verschilt van de EEG waar het zich in 1973 bij aansloot. Hoewel het uiteindelijke doel van het Europese “project”, een federatie van Europese lidstaten, over het algemeen eerder als iets vanzelfsprekends wordt beschouwd dan dat het expliciet wordt benoemd, is toch aanzienlijke vooruitgang geboekt.

De EU wordt geleid door politieke en bureaucratische organisaties die wellicht ongebruikelijk zijn maar desondanks herkenbaar lijken op die van een federale staat.

Sectarische antipathieën

Toch ontbreken twee van de kenmerkende eigenschappen van een federatie: de EU heeft nog geen zeggenschap over leger en veiligheidsdiensten om de externe belangen te beschermen, en het buitenlandbeleid wordt niet onafhankelijk bepaald maar met de lidstaten gedeeld.

De EU ontbeert ook een aantal kenmerken die op landelijk niveau hebben bijgedragen aan de vorming van een eigen identiteit. Zo wordt er niet één taal gesproken, maar is het een linguistische kaleidoscoop.

Weliswaar zitten er elementen van een gemeenschappelijke cultuur in het gedeelde godsdienstige verleden, ondanks diepgevoelde sectarische antipathieën in de West-Europese christelijke traditie, maar godsdienst is in Europa minder belangrijk geworden.

Nastreven van vrede

Desondanks bevat de EU alle ingrediënten voor het creëren van een sterke mythe over een verleden dat teruggaat tot het Romeinse Rijk. Ze deelt ook andere kenmerken die gewoonlijk bijdragen aan het ontstaan van een nationalistische ideologie: symbolen, inclusief een volkslied en een vlag, een zelfgedefinieerde gezamenlijke “missie”, namelijk het nastreven van vrede, en misschien wel het belangrijkste ingrediënt voor de vorming van een gezamenlijke identiteit, de “ander”, een rol die ooit werd vervuld door de Sovjet-Unie maar waarvoor nu diverse alternatieven voorhanden zijn.

Het kan niet eenvoudig zijn om de Europese staten aan die visie aan te passen. Voor veel staten blijkt de “ander” zoals gedefinieerd bij het opbouwen van een natie, nu medelid te zijn van een belangrijke politieke organisatie. Vooral de Ieren, bij wie de herinnering aan de onafhankelijkheidsstrijd diepe sporen heeft achtergelaten in het collectieve bewustzijn, zouden het als heel ingrijpend kunnen ervaren als die onafhankelijkheid opnieuw in het geding komt.

Iers enthousiasme

Toch zou het best eens zo kunnen zijn dat nationalistische waarden Ierland juist hebben geholpen om zich aan te passen aan Europa. De EEG vormde immers een belangrijk tegenwicht tegen aartsvijand Groot-Brittannië en het lidmaatschap van de EU heeft de Ierse autonomie aanzienlijk versterkt, in elk geval in de ogen van zijn grote buurman. Zonder dat zou Ierland ongetwijfeld nog steeds de pond als munt gebruiken, maar de Ierse regering zou nauwelijks stem hebben in het monetaire beleid.

Dat Ierse kiezers de verdragen van Lissabon en Nice hebben verworpen zal zeker hebben bijgedragen aan de beeldvorming dat Ieren weinig op hebben met Europa, een beeldvorming die door de uitslag van de tweede stemming nauwelijks is veranderd. Toch moet niet worden vergeten dat het stranden van de Europese grondwet te wijten was aan Franse en Nederlandse kiezers. Anderen zouden dat voorbeeld ongetwijfeld hebben gevolgd en zouden ook tegen andere aspecten van het Europese integratieproces hebben gestemd als ze de kans hadden gekregen.

Het Ierse enthousiasme over het EU-lidmaatschap mag het afgelopen decennium dan zijn afgenomen, maar dat is in de andere lidstaten niet anders

Uit onderzoek blijkt steeds weer dat de Ierse houding ten opzichte van de EU positiever is dan die van de meeste andere lidstaten. Het Ierse enthousiasme over het EU-lidmaatschap mag het afgelopen decennium dan zijn afgenomen, maar dat is in de andere lidstaten niet anders, en de Ieren blijven onverminderd positiever dan het Europese gemiddelde.

Publieke opinie

Het zou best eens kunnen zijn dat de pijlers waarop het Ierse nationalisme in het verleden steunde – zoals zijn eeuwenoude taal, de sterk gevoelde band met de katholieke traditie en een militante separatistische interpretatie van de geschiedenis – de afgelopen decennia zijn afgezwakt en plaats hebben gemaakt voor het ontstaan van een bredere loyaliteit.

Het tempo waarin de publieke opinie lijkt te zijn veranderd blijft echter raadselachtig. Waarom waren Ierse burgers, net als de burgers van andere lidstaten, bereid hun karakteristieke groene paspoort op te geven, de pond te vervangen door de euro en misschien zelfs om zich te voegen naar Europese prioriteiten op het gebied van defensie en buitenlandbeleid? En waarom was de Ierse elite, net als de elite in andere lidstaten, bereid beslissingsbevoegdheid af te staan en af te zien van promotiekansen in eigen land (al lonken voor sommigen betere kansen bij de EU)?

Dit zijn interessante vragen, die een meer algemene vraag opwerpen over het hierboven genoemde raadsel. Zouden we in plaats van onderzoek te doen naar “euroscepticisme”, waarvan de oorsprong in een unie van natiestaten immers geen verbazing zal wekken, niet beter onderzoek kunnen doen naar “euronationalisme”, de stuwende kracht die zo’n opmerkelijke rol heeft gespeeld bij het Europese integratieproces?