Een aantal maanden geleden sprak ik in de metro met een diplomaat uit Estland en ik zei hem dat Europa vroeger het continent van de utopieën was geweest, maar dat het tegenwoordig geen ambities meer heeft. Een Parisienne draaide zich om en onderbrak mij: “Europa? Een utopie? Ga toch weg! Dat is alleen maar een clubje hoge piefen dat zich verrijkt over de ruggen van gewone burgers.

We hoeven ons oor maar te luisteren te leggen in het openbaar vervoer of een willekeurige krant open te slaan om te weten te komen dat Europa een probleem heeft, en vooral met zichzelf. Alle media berichten over de dagelijkse worsteling van Europa om zijn puberjaren te boven te komen. Als we dit in een breder tijdsperspectief bekijken, is politiek Europa nog maar nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid. Wat is zestig jaar geschiedenis? Lodewijk XIV regeerde langer! En dit puberende Europa beseft plotseling dat zijn lichaam veranderd is sinds het niet meer uit zes lidstaten bestaat. Het is opgegroeid en daardoor is het veranderd in een mondiale volwassene met de bijbehorende verantwoordelijkheden. Deze puberteitscrisis is een van de oorzaken van de kloof tussen de burgers en het Europese project.

Europa heeft moeite om van zichzelf te houden in zijn nieuwe afmetingen. Het heeft nooit echt de keus gehad om groter te worden, het is hem opgelegd door de geschiedenis en de val van de Muur. Nu vindt Europa dat het uit de kluiten gewassen en te ingewikkeld is geworden. Aan de ene kant heeft het de neiging om deze snelle uitbreiding terug te draaien. Zo pleiten sommige Franse intellectuelen zoals Max Gallo over de hoofden van de kleine lidstaten heen voor een 'Frans-Duitse staatsgreep' en een samenwerkingsverband met Rusland. Aan de andere kant vliegen de lidstaten elkaar voortdurend in de haren over het aantal ambtenaren waaruit de nieuwe Europese Dienst voor Extern Optreden zou moeten bestaan, in plaats van de taken van deze nieuwe dienst aan de orde te stellen. Ieder debat over acties verzandt al snel in een oeverloze discussie over de middelen. De Europese Unie lijkt het vertrouwen in zichzelf en in de toekomst te zijn kwijtgeraakt, zoals ook al bleek uit de commotie die ontstond naar aanleiding van de presentatie van het project Europa 2020.

Toch is Europa de enige die zichzelf lelijk vindt. Overal in de wereld spreken intellectuelen vol lof over het Europese model en de plaats die dit continent in de nieuwe wereldorde zou moeten innemen. In Europa zelf komen we echter geen steek verder met ons ziekelijke navelstaren. China, India, de Verenigde Staten, Brazilië en Afrika kijken vol vertrouwen naar hun toekomst, maar Europa lijkt verlamd van angst te zijn. Het verlangt bijna terug naar het piepkleine Europa dat in de beschutting van de Muur en onder de vleugels van de Verenigde Staten leefde.

De crisis heeft ervoor gezorgd dat de twee drijfveren van de Europese constructie, solidariteit en het streven naar doeltreffendheid, in het slop zijn geraakt. Aan de ene kant vragen de staatsleiders aan Brussel of ze een of ander land dat zich in moeilijkheden bevindt moeten helpen. Aan de andere kant willen ze dit slechts doen door gebruik te maken van gecompliceerde mechanismen, waarbij ze proberen om de zelfstandigheid van ieder orgaan in stand te houden. Maar wanneer een orgaan wordt aangevallen, is het hele lichaam in gevaar. Het hoofd (de Europese Raad) vraagt zich af of het verstandig is om in te grijpen en het hart (de Commissie) lijkt ermee opgehouden te zijn om het verdoofde lichaam van Europa van nieuwe ideeën en impulsen te voorzien. We moeten ophouden met navelstaren en Europa weer als ‘wij’ gaan beschouwen. De continentale crisis van het 'ik' wordt veroorzaakt door de crisis van 27 kleine ‘ikjes’.

Omdat de Europese Unie een gecompliceerde relatie met zichzelf onderhoudt, heeft zij ook een moeizame relatie met anderen. Toch heeft zij geen enkele reden om niet zichzelf te zijn. Ook in haar relaties met diegenen die bij haar aankloppen. In plaats van te antwoorden in een angstreflex: “Wie is daar?” zouden we willen horen: “Waar kan ik u mee van dienst zijn?”. De Europeanen die geobsedeerd zijn door zichzelf, hun functioneren en hun geldproblemen vergeten dat je heel goed iets kunt opbouwen met iemand die niet helemaal hetzelfde is als wij. Maar we vragen nooit aan de Turken, Serviërs en IJslanders wat zij eigenlijk van Europa verwachten. Wat zijn hun prioriteiten als ze eenmaal zijn toegelaten tot de club? Hoe stellen zij zich de plaats van Europa in de wereld over vijftig jaar voor? Niets van al dat op dit moment.

Het ontbreekt de Europeanen tegenwoordig aan een grote ambitie. We zouden zelfs kunnen zeggen een utopie. Uitdagingen te kust en te keur: vrede brengen in de internationale relaties zoals we ook met de Europese relaties hebben gedaan, voortrekker zijn op het gebied van duurzame ontwikkeling of bouwen aan de grote, solide economie van de kennis van morgen. Maar daarvoor moeten we wel de handen uit de mouwen steken.