Tunesië is in beroering, Algerije staat in vuur en vlam, in Egypte rommelt het en Marokko en Libië bekijken hun buren vol angst: dezer dagen beleeft Noord-Afrika zeer verontrustende uitbarstingen op maatschappelijk vlak die, uiteindelijk, toch zeer voorspelbaar waren.

Iedereen had toch kunnen bedenken dat het ontnemen van vrijheden (Tunesië) of het verstrekken van erebaantjes aan de rijken (Algerije) in landen waar werkloosheid en "no future" heersen en waar corruptie tot een manier van leven is verheven (Tunesië en Algerije), uiteindelijk zou kunnen leiden tot afwijzing door de bevolking, een afwijzing die omsloeg in sporadische rellen en soms zelfs algemeen oproer?

Gevangen in despotisme en “hogra”

Hoe konden deze regimes, die gevangen zitten in hun despotisme in combinatie met "hogra" (minachting), voorbijgaan aan het feit dat de onrechtvaardigheid, tot systeem verheven, op de lange duur grenzeloze verbittering tot gevolg zou hebben? Dat de systematische en voortdurende schending van de mensenrechten tot bitterheid zouden leiden, tot rancune en uiteindelijk gewoon tot haat?

Natuurlijk is er geen enkel regime gevallen, we mogen zelfs aannemen dat geen enkele regime werkelijk in zijn bestaansrecht wordt bedreigd zolang het een exclusief recht van staten is om terug te grijpen op bruut geweld. Te meer daar de protestmanifestaties en de opstanden in Tunesië en in Algerije nauwelijks georganiseerd zijn, maar eerder spontane reacties van collectieve verontwaardiging vormen.

Financiële steun in ruil voor liberalisering

Bij de huidige, tragische wending die deze gebeurtenissen nemen, rust een zware verantwoordelijkheid op de schouders van Europeanen. In het kort komt het erop neer dat Brussel sinds de jaren 90 van de vorige eeuw overeenkomsten heeft gesloten met de regimes in Noord-Afrika op basis van geven en nemen: we staan aan jullie zijde ondanks jullie ernstige tekortkomingen en we zullen jullie financieel steunen om tot liberalisering te komen, op voorwaarde dat jullie alles doen wat binnen jullie mogelijkheden ligt om illegale immigratie te verhinderen en om het radicale islamisme in de kiem te smoren.

Dat bericht heeft iedereen begrepen. Maar het is wel een kortzichtig beleid! Zonder twijfel kwam 11 september als geroepen voor deze Arabische regimes, die al snel begrepen dat ze de terroristische aanslagen gemakkelijk konden benutten ("Ziet u wel, we moeten onze krachtige middelen wel inzetten om deze groene pest te bedwingen", zoals ze de Europeanen fijntjes lieten weten). Zo konden de incidentele aarzelingen ten noorden van de Middellandse Zee worden weggenomen om steun te verlenen aan zulke weinig democratische regimes (de aanslagen in Madrid in 2004 en in Londen in 2005 zouden de laatste sceptici uiteindelijk ook overtuigen).

Cynische Europese houding

Parijs, Rome en Madrid, en hun respectievelijke regeringen, ongeacht hun samenstelling, vormen al jaar en dag een drijvende kracht achter deze cynische, Europese houding, die het extremisme, dat ze geacht worden te bestrijden, juist voeden. Dankzij Europese steun blijven deze regimes dus in het zadel.

Het is dan ook de hoogste tijd dat Europa op zoek gaat naar mannen en vrouwen in Noord-Afrika, binnen maar ook buiten de regimes, die de ethiek van een overheid kunnen belichamen die ten dienste staat van het volk in plaats van een staat die de bevolking tegenwerkt. Die mensen verdienen onze steun. En zulke mensen bestaan.