Het nieuws kwam op 17 januari aan het eind van de middag: de EU is bereid Tunesië “onmiddellijk” hulp te bieden bij het organiseren van vrije en democratische verkiezingen. Laten we erop gokken dat dit mooie gebaar van de "goede Europeanen" de Tunesiërs recht in hun hart raakt. Europa schiet hen nu te hulp bij hun overwinning terwijl datzelfde Europa zich voorheen nog inliet met de regering Ben Ali tijdens onderhandelingen met het oog op erkenning van een "geavanceerde status" van samenwerking. Dit verdienstelijke opportunisme zou een nog veel verontrustender gegeven haast doen vergeten: het autoritaire regime in Tunesië heeft juist onder de hoede van Europa kunnen voortduren.

Van alle Arabische landen rond de Middellandse Zee wisten zowel Marokko als Tunesië zich te onderscheiden door de lange en intensieve samenwerking, aanvankelijk met de EEG, later met de EU. Tunesië was de eerste staat op de zuidoever van de Middellandse Zee die een "Euro-mediterrane associatieovereenkomst" sloot. In het kader van deze "Euro-mediterrane samenwerking" (ook wel het "Proces van Barcelona" genoemd), heeft Tunesië vooral kunnen profiteren van de flinke financiële steun voor het aanpassen van de Tunesische economie aan de voorwaarden van de vrijhandelsmarkt.

Autoritaire dominantie en democratisch fatsoen

In 2004, toen de EU na uitbreiding tot 25 en later zelfs tot 27 lidstaten, toezeggingen had gedaan in het kader van het Europese nabuurschapsbeleid, was Tunesië, net als Marokko, een van de eerste landen die deelnamen aan deze nieuwe vorm van bilaterale samenwerking. Tunesië heeft zich verbonden aan Europa, weliswaar zonder perspectief op toetreding, maar wel door middel van een light-versie en aangepaste criteria van Kopenhagen (democratie, staatsrecht, mensenrechten, het respecteren van minderheden, markteconomie).

Zo leek het Tunesië van Ben Ali haast een ‘28e’ lidstaat van de EU, met vrijstelling van de verplichting om de politieke standaarden van de EU toe te passen. Ongetwijfeld stonden de kwesties van de democratie, het staatsrecht en de mensenrechten bovenaan de lijst met "voornaamste actiepunten", die de EU en Tunesië overeen waren gekomen. Toch vormen deze kwesties slechts een van de vele onderdelen, waaronder "de strijd tegen het terrorisme", de liberalisering van het handelsverkeer, de directe investeringen door het buitenland en "het efficiënte beheer van migratiestromen". De acties met het oog op democratisering beperkten zich tot hervormingen op administratief en juridisch vlak en tot het aanpassen van de wetgeving aan internationale conventies.

Een groot aantal Europarlementariërs vond de onduidelijkheid van de situatie schandalig en dwong de EU tot de nodige ombuigingen. De Europese Unie is haar bezorgdheid over de veiligheid met betrekking tot de politieke islam, het terrorisme en de druk van migrantenstromen vanuit de landen ten zuiden van de Sahara, als gevolg waarvan Noord-Afrika uitgroeide tot een transitzone, steeds blijven benadrukken, ondanks haar overduidelijke inzet om democratie in de landen rond de Middellandse Zee te bevorderen. Alle vormen van samenwerking op deze terreinen schetsen de contouren van supranationaal toezicht, waarmee democratisch gekozen regeringen en autoritaire regimes ieder zo hun eigen voordeel konden doen. Daarbij was de veiligheid van de één pas mogelijk na compromissen met een gunstig effect op de levensduur van de ander.

Het regime van Ben Ali stond daarbij model voor de autoritaire dominantie, die was opgegaan in het Europa van democratisch fatsoen. Om dat regime omver te werpen kon het Tunesische volk dus niet anders dan dat op eigen kracht te doen. De steun van buitenaf kwam niet van een bangig Europa, en nog minder van een Franse regering die Tunesië wilde helpen met haar knowhow op het gebied van politie, maar van de krachtige en herhaalde waarschuwingen van de Verenigde Staten aan het adres van de hoofdrolspelers van de bloedige onderdrukking.

"Democratisering in Europa is een school van tirannen"

Tunesië is in een politieke overgangsfase terechtgekomen, waarbij het spel open ligt en de uitkomst onzeker is. De ontmanteling van het autoritaire systeem en het doorvoeren van democratische ambities zijn uitsluitend voorbehouden aan Tunesië zelf. Als Europa zich solidair wenst te tonen met deze moeilijke en gevaarlijke onderneming, kan ze niet volstaan met het bieden van hulp, al was het maar bij het houden van verkiezingen.

Europa zal haar nabuurschapsbeleid met andere landen langs de Middellandse Zee volledig moeten herzien. Europa dient lessen te trekken uit de ontwikkelingen in Tunesië, deze schokgolf in het hart van een nabijgelegen zone die tot nu toe werd beschouwd als grensgewest van de Europese democratische ruimte. Er kan in Tunesië geen democratie komen door het insluiten van vestigingen, en datzelfde geldt voor zijn buurlanden.

"De democratisering in Europa is tegelijkertijd en zonder dat we dat willen een school van tirannen", aldus Nietzsche. Laten we deze redenering in het kader van de actualiteit en onze democratische overtuigingen een andere wending geven: ze biedt namelijk stof tot nadenken voor "ons, de goede Europeanen" over onze betrekkingen met landen op de zuidoever van de Middellandse Zee.