De afgelopen dagen is veel gesproken over de opkomst van de anti-Europese partijen. Dat is ook volkomen gerechtvaardigd gezien de uitslag van de verkiezingen voor het Europees Parlement. Maar Europa zendt nogal gemengde signalen uit en dat geldt niet alleen voor de extremisten.

Oost-Europa geeft echter een totaal andere boodschap af. Oekraïne heeft [zich duidelijk uitgesproken] (4769060), de keus vóór Europa is nu overduidelijk. De Moldaven hebben ook gestemd. Deze Roemeense burgers zijn massaal naar de stembussen gegaan, dat is overduidelijk ook een pro-Europese boodschap. Zelfs in Roemenië, ondanks de tegenstrijdige debatten na afloop van de Europese verkiezingen, moet één ding worden toegegeven: de anti-establishmentpartijen România Mare (van Corneliu Vadim Tudor) en PPDD (van Dan Diaconescu hebben geen plaats in het Europees Parlement weten te bemachtigen.

Laten we iets verder gaan, naar Polen. De echte verrassing van de verkiezingen van 25 mei is daar de opkomst van Nieuw Rechts (KNP), een anti-Europese partij die meer dan 7 procent van de stemmen kreeg. Niettemin behaalde Burgerplatform, de partij van premier Donald Tusk, onder wiens gezag Polen in een plaats binnen de Europese Unie wist te krijgen, 33 procent van de stemmen en wist zo een minimale voorsprong op de conservatieve oppositiepartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) te behouden.

Italië dan. Daar wist de komiek Beppe Grillo met zijn Vijfsterrenbeweging de kiesdrempel van 20 procent te halen. Maar het is tevens het land waar de centrumlinkse Democratische Partij van premier Matteo Renzi met bijna 41 procent van de stemmen bovenaan eindigde.

Anti-Europeanen zijn nogal lui

De opkomst van de anti-Europese partijen is onmiskenbaar realiteit geworden, maar het is ook waar dat een anti-Europese groep (als die ooit echt van de grond komt) in het beste geval ongeveer 20 procent van de zetels in het Parlement krijgt. Wat kunnen deze partijen dus werkelijk bereiken in Brussel en Straatsburg? Niets, bevestigen Berlijnse bronnen ontspannen als deze vraag ze wordt voorgelegd. Deze partijen kunnen het beslissingsproces niet blokkeren. In het ergste geval kunnen ze het vertragen, als een aantal van hen als rapporteur wordt benoemd.

De overgrote meerderheid zal er echter voor zorgen dat de belangrijke dossiers niet bij hen terechtkomt. En dan is er nog iets. Volgens dezelfde bronnen zijn deze anti-Europeanen nogal lui. Zij zijn niet bij commissies betrokken en dragen niet veel bij aan rapporten. Ze praten wel veel met de pers, maar verzetten weinig werk in het Europees Parlement.

De anti-Europeanen bezetten 20 procent van de zetels in het Parlement, maar zijn niet aanwezig in de Commissie of zelfs de Europese Raad, waar alleen de Britse premier David Cameron en zijn Hongaarse collega Viktor Orbán voor problemen kunnen zorgen. Stel je tijdens een grote crisis in Europa een conclaaf in Brussel voor, bestaande uit Marine Le Pen, Beppe Grillo, Geert Wilders (die onder de verwachtingen heeft gescoord) samen met Vona Gabor, de voorzitter van Jobbik [Hongaarse rechtsextremist, red.]… Dit is natuurlijk maar een denkbeeldige situatie.

In werkelijkheid zijn de teugels nog altijd stevig in handen van de leiders van de centrumpartijen. En dat zal ook zo blijven, mits zij met een project voor Europa weten te komen. Het eventueel falen van Europa zal te wijten zijn aan de ‘pro’-partijen en niet aan de ‘anti’-partijen.

Gebrek aan een project en compromissen

Het is niet overdreven de huidige situatie te vergelijken met die van Duitsland in de periode vóór de machtsgreep van Adolf Hitler. Ook toen was er sprake van een verdeeld parlement en een anti-establishmentgroep die weliswaar in de minderheid was, maar wel extreem gemotiveerd was. Het gebrek aan een project en de compromissen van de meerderheid hebben destijds geleid tot de gebeurtenissen waar wij nu de afloop van kennen.

Zullen de huidige Europese leiders blijven proberen consensus te bereiken? Of zullen ze de spelregels veranderen om de anti-Europese partijen te paaien in de hoop dat zij kalmeren en zich vriendelijker opstellen? Zal de EU worden gedwongen de regels aan te passen zodat, bijvoorbeeld, mensen uit Oost-Europa worden beschouwd als tweederangsburgers, zoals zij nu al door anti-Europeanen uit West-Europa worden gezien?

Een duidelijke boodschap die tevens een stap in de goede richting is, is verkondigd door Gunther Krichbaum (CDU), de voorzitter van de commissie van de Bondsdag voor Europese Zaken: “Er is geen sprake van een aanpassing van de spelregels. Wij hebben verdragen en [om die te veranderen] moet opnieuw worden onderhandeld. Het Verdrag van Lissabon zag bijvoorbeeld pas het licht na tien jaar onderhandelen. Verdere onderhandelingen zullen nog eens tien jaar in beslag nemen. Maar ondertussen moet de Europese Unie worden aangestuurd. En we zijn ons allen bewust van de uitdagingen die daarmee gepaard gaan.”

In de komende jaren zal de Europese Unie moeten zorgen voor banen, een energie- en industriebeleid en de vraag moeten beantwoorden wat de toekomst van Europa’s oosterburen binnen de EU is. Zo niet, zal de weg naar fragmentering van Europa en conflicten geopend zijn.

Twee dagen voor de verkiezingen heb ik een verkiezingsbijeenkomst in Berlijn bijgewoond van de conservatieve en eurosceptische partij Alternative für Deutschland (AfD), die 7 procent van de stemmen kreeg. Onder leiding van partijvoorzitter Bernd Lucke, hoogleraar economie aan de Universiteit van Hamburg, reden de partijbestuurders in een stoet van auto’s uitgedost met verkiezingsattributen af en aan over de brede straten van de Duitse stad. Tenminste drie auto’s waren een [in Roemenië gemaakte, red.] Dacia Logan. Als de AfD, die wil dat de Duitse Mark terugkomt en voor bescherming van de eigen economie is, in auto’s rijdt die in Roemenië zijn gemaakt, dan kunnen we toch wel zeggen dat Europa nog steeds kans van slagen heeft.