"In het algemeen laten kiezers zich niet uit over de redenen waarom zij op een bepaalde partij hebben gestemd. Maar het is duidelijk dat de corruptie, armoede en loze beloften van de postcommunistische en liberale regeringen van de jaren negentig het volk de keel uitkwamen. De kiezers geloven in Orbán omdat hij een visie heeft", stelt András Lánczi, professor politieke filosofie.

Vanuit zijn moderne kantoor in een van de gebouwen van de Corvinus-universiteit in Boedapest heeft hij een fantastisch uitzicht over de Donau. Als universitair medewerker wil hij elke schijn van partijdigheid voorkomen, maar hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste intellectuele figuren van Fidesz [de liberaal-conservatieve partij van premier Viktor Orbán]. Zijn telefoon gaat tijdens het interview drie keer af.

Steeds krijgt hij buitenlandse televisiezenders aan de lijn die hem graag willen interviewen. "Dat komt door alle ophef over de mediawet"? verontschuldigt hij zich. Maar de kritiek uit Brussel en de emotie die de wet in heel Europa teweegbrengt, laten hem ijskoud."Het westen heeft gewoon geen vertrouwen in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie. Toen Slovenië en Tsjechië het voorzitterschap van de EU bekleedden, ging het net zo. Onmiddellijk werden er kritische pijlen op deze landen gericht"? aldus Lánczi.

Rancunes beheersen de hele Hongaarse politiek

Hoe verklaart hij dan dat vooraanstaande Hongaren ook de grootste vrees en de felste kritiek uiten? Op deze vraag verheft Lánczi, een vijftiger met een jongensachtig gezicht, plotsklaps zijn stem: "Wie zijn deze critici? Paul Lendvai, die vanuit Wenen mensen aangaf bij de Hongaarse communisten? György Konrád, die zich voordoet als voormalig dissident, maar die in de jaren tachtig vrij mocht reizen? Miklós Haraszti, die Orbán eenvoudigweg verafschuwt? Uit archiefdocumenten blijkt duidelijk dat Orbán door het communistische regime is vervolgd!"

De andere interviews hebben dezelfde strekking. De hele Hongaarse politiek wordt beheerst door persoonlijke rancune jegens politieke tegenstanders, zowel aan de linker- als aan de rechtervleugel.

Volgens hem ligt de voedingsbodem voor de overweldigende overwinning van Orbán in de geschiedenis van Hongarije, zowel recente gebeurtenissen als het verre verleden. In de afgelopen tachtig jaar hebben de Hongaren een reeks nederlagen te verwerken gehad: allereerst de twee wereldoorlogen, gevolgd door 1956 [de opstand van Boedapest]. Door het beruchte "goulashsocialisme" van János Kádár is het land daarna diep in de schulden gestort, die de staat nu nog steeds met grote moeite probeert terug te dringen. "Mensen willen zich eindelijk losmaken uit deze val"? aldus Lánczi. "Orbán biedt hun hoop op orde, rechtvaardigheid en een sterke staat." Daarom heeft de nieuwe regering de lening van het IMF van de hand gewezen en besloten een hoge belastingschaal in te voeren voor banken en bedrijven, vooral wanneer zij afkomstig zijn uit het buitenland.

Een andere wijk in Boedapest, een andere universiteit. De Universiteit van Centraal-Europa. Het is opvallend dat János Kis, de beroemde dissident en invloedrijke intellectueel uit "liberale kringen", zich soms achter de standpunten van Lánczi schaart, die toch zijn ideologische tegenstander is. Volgens hem kan "de huidige situatie vooral worden verklaard door politieke redenen, en niet door sociologische of historische feiten". De voornaamste oorzaak ligt in de zwakte en de corruptie van links [dat van 2002 tot 2010 aan de macht was] en heeft geleid tot "morele ondergang".

Orbán heeft zich ontpopt tot de belangrijkste figuur in de Hongaarse politiek. Met hem als leider ziet rechts een historische kans om de staat vergaand te veranderen. Maar "de fiscale maatregelen voor banken waren dan wel populair, maar dat geldt niet voor de nationalisering van pensioenfondsen en zijn aanval op het Constitutioneel Hof. En als zijn economische model uiteindelijk geen effect sorteert, zal Orbán in zeer zwaar weer terechtkomen".

"Deze mediaoorlog is al 20 jaar gaande"

Met zijn schijnbaar ingeslapen restaurants en half lege straten wekt Boedapest de indruk van een provinciestadje. Het virtuele leven van de media lijkt des te heftiger, meedogenlozer en haatdragender. De rechtse en liberale media worden gescheiden door een onwrikbare muur. Journalisten praten niet met elkaar en lezen de kranten van hun collega-verslaggevers niet.

"Deze mediaoorlog is al 20 jaar gaande" licht Péter Csermely toe. Hij is hoofdredacteur van Magyar Nemzet, de grootste rechtse krant in Hongarije. Hij vertelt hoe liberale media, in Hongarije en daarbuiten, de rechtse partijen en de regering zonder gegronde redenen uitmaken voor fascisten en antisemieten. "Maar in oktober 2006, toen demonstranten tijdens de herdenkingsbijeenkomst tegen de voormalige regering zijn mishandeld en gefolterd door de politie, waren deze media gehuld in stilzwijgen [bij de vijftigste herdenking van de opstand van 1956 is de politie hard opgetreden tegen deelnemers aan een bijeenkomst van extreemrechts, maar ook tegen pacifistische demonstranten]. Vindt u het in het licht van die gebeurtenissen nog verwonderlijk dat er een evenwichtige verslaglegging nodig is van de nieuwe mediawet? "

Is het echter niet verbazingwekkend dat de krant van Peter Csermely zich achter deze wet schaart, terwijl de nieuwe Raad voor de media (waarvan de 5 leden door Fidesz zijn aangewezen) hiermee de bevoegdheid krijgt boetes op te leggen en de wet onder meer registratie van media verplicht stelt, die ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan deze Raad voor de media? Zouden de media ongeacht hun ideologische achtergrond en in een gemeenschappelijk belang niet moeten opkomen voor de vrijheid van meningsuiting in de meest brede zin des woords? Csermely zegt hierover: "Het is misschien een strenge wet, maar zij is aangenomen door een parlement dat na vrije verkiezingen tot stand is gekomen."

De verdeeldheid is te weiten aan de koers die Orbán vaart

Het lijkt wel symbolisch: de redactie van het grootste linkse dagblad, Népszabadság, bevindt zich op grote afstand, aan de overkant van de Donau. Een Oostenrijkse televisiezender verlaat juist het kantoor van hoofdredacteur Károly T. Vörös. Terwijl hij de nieuwe bezoekers binnenlaat, sluit hij het interview snel af in vloeiend Duits: "De verdeeldheid in onze maatschappij is te wijten aan de koers die Orbán vaart. Deze koers is gebaseerd op haat." Vörös voegt daaraan toe dat "Hongaren onderling een bijzondere natie vormen. Zij hebben het gevoel al eeuwen onder buitenlandse overheersing te leven: eerst de Turken, toen de Oostenrijkers en later de Russen. Vandaag de dag, zelfs 20 jaar later [na 1989]*, hebben zij nog niet door dat zij nu vrij zijn. Ook hebben zij een hekel aan kapitalisme. Om uiteenlopende redenen noemen alle vier de partijen die op dit moment in het parlement zijn vertegenwoordigd zich antikapitalistisch*."

Begin januari bestond de voorpagina van Népszabadság uit een witte bladzijde met slechts één zin in het Hongaars, die was vertaald in alle Europese officiële talen: "In Hongarije is de persvrijheid opgeheven." De krant is voornemens de zaak binnenkort aanhangig te maken bij het Constitutioneel Hof en denkt dat het Hof zich in zijn voordeel zal uitspreken. Vörös verwacht echter geen enkele steun van de hoofdredacteurs van de rechtse media.