Ineens is Angela Merkel zomaar bereid iets te doen wat ze lang heeft geweigerd. Ineens wil ze Duitsland nog nauwer met de andere landen in Europa verbinden, dus ook met lidstaten als Griekenland, die nog nauwelijks voor kredietwaardig kunnen doorgaan. Ineens moet Duitsland nog meer gaan overleggen met zijn buurlanden: over bezuinigingen, belastingen, zelfs over de vraag vanaf welke leeftijd burgers met pensioen mogen. Ineens moet Europa ons meer waard zijn dan ooit, zonder dat duidelijk is of de andere landen alleen uit zijn op ons geld of dat ze werkelijk bereid zijn onze regels en principes te accepteren.

Dat zit er allemaal achter het idee van een Europese economische regering. En dat alles is in Duitsland ongelooflijk impopulair. Sinds het uitbreken van de schuldencrisis is de vrees voor verdere Europese integratie opnieuw toegenomen. Als Duitsers tegenwoordig het woord ‘Europa’ horen, denken velen van hen aan het verlies van controle. Bovendien geloven steeds minder mensen dat de euro ooit net zo betrouwbaar wordt als de D-Mark ooit was.

Waarom pleit Angela Merkel daar dan voor? Waarom juist nu? Laten we even terugdenken aan de situatie van een jaar geleden. De crisis in Griekenland escaleerde, op de financiële markten zetten speculanten in op de ondergang van de monetaire unie en kort voordat Griekenland instortte, bood ook Duitsland hulp in de vorm van miljardenkredieten. Tegelijkertijd streden de Europese regeringen echter over bijna ieder voorstel om het economische beleid te hervormen. De zuidelijke landen eisten voornamelijk onvoorwaardelijke solidariteit (lees: meer geld). De noordelijke landen wilden soliditeit, strenge bezuinigingen dus. Uiteindelijk werd het van allebei een beetje. Maar het probleem bleef bestaan. Tot op de dag van vandaag is de kwestie van de schuldencrisis niet opgelost en evenmin is de vraag beantwoord hoe we ervoor moeten zorgen dat Europa crisisbestendiger wordt.

Andere landen in het vizier

Een jaar geleden gebeurde er echter nog meer. De Duitse regering was er vooral op gebrand dat de rust zou wederkeren, net als de meeste Duitsers waarschijnlijk. Bovendien ging de regering ervan uit dat onze financiën het best worden beschermd als er zo min mogelijk geld en macht naar Europa overgaan. Dat bleek een verkeerde conclusie. Speculanten kregen ook andere landen in het vizier en dat ging gepaard met steeds nieuwe geruchten over het dreigende einde van de euro. Dus waren er nog meer miljarden nodig voor de redding van de euro. De Duitse kanselier werd in het nauw gedreven.

Op den duur pikt geen enkele regering dat. En dus luidt de les die de Duitse regering heeft geleerd: als we een definitief einde willen maken aan de eurocrisis, moeten we in het groot denken. Dat wil zeggen: ten eerste een einde maken aan de Griekse schuldenellende, dat wil zeggen: de schulden van het land saneren en wel zo goed, dat dit niet ten koste gaat van de lokale economie of van de Duitse banken die bulken van de Griekse obligaties. Ten tweede moeten andere lidstaten in problemen financieel worden ondersteund. Ten derde, en dat is het belangrijkste, moeten er garanties worden afgegeven dat dit geld niet wordt verspild en dat Europa daar goed over waakt.

Juist op dat punt zou de economische regering à la Merkel een logisch gevolg zijn: als we met onze eigen financiële middelen borg staan voor de buurlanden, dan moeten we daar ook kunnen meepraten. We verlenen Europa meer macht, maar dan moet Europa wel volgens Duitse principes gaan werken.

Happy end

Concreet betekent het dat de druk op de achterblijvers in Europa wordt opgevoerd. Frankrijk zal dan door de eurolanden worden aangemaand om de pensioenleeftijd verder te verhogen. Spanje zal de koppeling tussen lonen en inflatie moeten loslaten en Italië zal zijn schulden moeten verminderen. Er zullen maximum- en minimumbelastingen kunnen komen, misschien zelfs automatische boetes voor de treuzelaars en een rem op de schulden, zoals die in de Duitse wetgeving staat.

Dat klinkt als een utopie, maar dat is het niet. Ook de regeringen van andere lidstaten hebben hun les afgelopen jaar wel geleerd. In heel Europa heeft het Duitse beleid van stabiliteit aanhangers gevonden. In Parijs, omdat men daar heeft onderkend dat Frankrijk in twijfelgevallen moet meebetalen voor landen in crisis. In Madrid, omdat ze daar met angst en beven denken aan het scenario dat de staat failliet gaat. In Dublin omdat iedereen daar beseft dat de regering van Brian Cowen voor haar fouten moet boeten. En in Brussel, omdat ze daar allang en al veel meer op de Duitse manier denken dan we willen toegeven.

Tot nu toe horen we dit deel van het verhaal maar zelden: Europa wordt Duitser, in ieder geval qua economie, niet qua wijn. Dat is een verhaal dat je aan burgers kunt uitleggen. Niet omdat er geen alternatieven zouden zijn. Maar omdat het verhaal een happy end belooft.