Voor zover bekend, gaf David Cameron er tijdens de EU-top van afgelopen vrijdag geen blijk van dat hij zich ongemakkelijk voelde toen hij het Frans-Duitse plan onder ogen kreeg dat inzet op de vorming van een federaal Europa. Onder de naam concurrentiepact werden deze voorstellen met trots door president Sarkozy en bondskanselier Merkel gepresenteerd als de lang verwachte blauwdruk voor een Europese “economische regering”. Doel is harmonisatie te bewerkstelligen op zes uiterst controversiële terreinen van nationaal economisch en sociaal beleid in de eurolanden: vennootschapsbelasting, pensioenstelsels, loononderhandelingen, onderwijskwalificaties, staatsschuldlimieten en de crisisbeheersingsregelingen voor banken in moeilijkheden.

Gezien Camerons eurosceptische instelling kan het uitblijven van enige oppositie als een verrassing zijn gekomen. Waarom oogt de Britse regering zo ontspannen bij deze enorme stap in de richting van een volledig federale Europese staat? Hieraan ligt een misvatting van historische proporties ten grondslag, namelijk dat de opmars van het economisch federalisme momenteel slechts een onvermijdelijke ad-hocreactie zou zijn op de financiële crisis in Griekenland, Ierland en Spanje, teweeggebracht door de kredietcrisis in 2008.

Een middel om de eurofederalistische agenda vooruit te helpen

In Whitehall hoopt men dat dit centralisatieprogramma stilletjes zal worden afgedankt of zelfs teruggedraaid, wanneer de crisis eenmaal voorbij is; het ligt echter meer voor de hand dat het tegenovergestelde zal gebeuren. De nieuwe instellingen en overeenkomsten die uit de eurocrisis voortvloeien, zullen permanente kenmerken van het Europese politieke landschap gaan vormen, dat zich gestaag zal ontwikkelen tot de volwaardige federale regering die volgens Jacques Delors, Helmut Kohl en Margaret Thatcher het onvermijdelijke gevolg was van Europa's besluit om een eenheidsmunt en een monetaire unie te creëren.

Het plan dat vorige week tijdens de top op tafel kwam, vormt een perfecte illustratie van dit proces. De voorgestelde harmonisatie van het beleid op het gebied van belastingen, werkgelegenheid en pensioenen is niet direct van belang voor de eurocrisis en zal Griekenland of Ierland beslist niet kredietwaardiger maken. Integendeel, Ierland zou een uitstroom van kapitaal en arbeid beleven als het gedwongen zou worden zijn belastingtarieven op het Duitse of Franse niveau te brengen. Het centraliseren van de loononderhandelingen in heel Europa zal er niet toe leiden dat arme landen concurrerender worden doordat ze van hun goedkopere arbeidskrachten gebruik kunnen maken. In plaats daarvan zal een mechanisme ontstaan dat de hoge Duitse en Franse lonen en sociale lasten beschermt. Kortom, de voorstellen van vorige week waren niet zozeer een poging om de eurocrisis op te lossen als wel een middel om de eurofederalistische agenda, die jarenlang in de ijskast stond, vooruit te helpen.

Machtsrelaties zullen veranderen als de eurocrisis is bedwongen

Vooral Duitsland beschouwt de crisis als een ideale mogelijkheid om zijn visie van een federaal Europa te promoten, waarin alle lidstaten aan strikte begrotingsregels en gecentraliseerde loononderhandelingen worden gebonden en er een genereus sociaal vangnet wordt gecreëerd dat betaald wordt uit de relatief hoge belastingen die daarvoor nodig zijn. Dit is in veel opzichten een aantrekkelijk model maar het gaat vermoedelijk niet werken in de armere en minder goed georganiseerde Midden- en Zuid-Europese landen.

Op dit moment is het Duitsland dat de scepter zwaait, maar de machtsrelaties zullen snel veranderen als en wanneer de eurocrisis is bedwongen. Wanneer Duitsland eenmaal zijn handtekening zet onder onherroepelijke financiële garanties voor de schulden van andere landen, zullen de politieke voorwaarden die het in ruil daarvoor heeft opgelegd, beslist snel worden afgezwakt. Het is bijvoorbeeld vrijwel zeker dat de zogeheten 'automatische' boetes voor de overtreding van de begrotingsregels, die Duitsland waarschijnlijk als tegenprestatie voor zijn financiële garanties zal bedingen, spoedig zullen worden genegeerd, net als de 'no-bailout clausule' op grond waarvan de leden van de eurozone nooit voor elkaars schulden garant zouden staan.

Hetzelfde geldt vermoedelijk ook voor het door Duitsland voortdurend uitgedragen standpunt dat het beleid voor de harmonisatie in EU-verband steeds meer tijdens topbijeenkomsten door de nationale leiders moet worden gecontroleerd en niet door de EU-commissarissen in Brussel. De Commissie biedt het enige mechanisme voor de uitvoering van intergouvernementele besluiten en alle gebeurtenissen in de geschiedenis van de EU wijzen erop dat zij binnenkort de touwtjes volledig in handen krijgt. Bovendien zijn de overige leden van de eurozone allemaal vastbesloten zich niet door Duitsland of een Frans-Duits machtsblok te laten overheersen. Hierdoor zullen de belangrijkste verantwoordelijkheden met het oog op de “economische regering” snel naar de Commissie overgaan, wanneer Duitsland zijn handtekening zet onder de onherroepelijke garanties voor de financiële stabiliteit van de euro en daarmee zijn vetorecht verliest.

Groot-Brittannië kan verdere integratie van de EU niet voorkomen

Nu we het over veto's hebben, komen we terug bij de positie van Groot-Brittannië. De Britse regering vindt het zeer geruststellend dat Duitsland een voorkeur heeft voor intergouvernementele mechanismen en maakt zich geen zorgen over ontwikkelingen in de EU die beperkt blijven tot de eurozone. Het is echter een illusie te denken dat Groot-Brittannië verdere integratie van de EU kan voorkomen. Nu de zeventien eurolanden onverbiddelijk in de richting van een economische en politieke unie bewegen, zullen de belangen van dit coherente blok in alle EU-instellingen steeds meer gewicht in de schaal gaan leggen.

De niet-eurolanden, vooral Groot-Brittannië, zullen dan geconfronteerd worden met een Europa van meerdere snelheden, met een volledig geïntegreerde federale kern en een veel lossere coalitie van handelspartners daaromheen. Dit meer flexibele Europa heeft veel positieve kanten, maar opeenvolgende Britse regeringen hebben er tientallen jaren tegen gestreden. Nu valt er niets meer aan te doen.