José Luis Rodriguez Zapatero is de eerste Europese regeringsleider die na de val van Ben Ali een bezoek heeft gebracht aan Tunesië. De Spaanse premier wilde op woensdag 2 maart blijk geven van de solidariteit van Spanje en Europa betreffende het democratiseringsproces in de Arabische wereld.

Dat deed hij zonder grootspraak en in gepaste bewoordingen: “Wij zijn bereid te luisteren en te helpen bij het bouwen aan een toekomst waarin democratie, vrijheid en waardigheid centraal staan.” Niets dat ook maar enigszins leek op inmenging, een te rooskleurig toekomstbeeld of de arrogante houding van iemand die anderen wel even een lesje zal leren. De juiste toon en goed gekozen woorden.

Zapatero heeft in een leemte voorzien

Zapatero heeft in een leemte voorzien en namens Europa moeten we hem daarvoor bedanken. Het valt te begrijpen dat Frankrijk na het uitspreken van “waardering voor de groeiende vrijheid” in het Tunesië van Ben Ali niet voorop stond om ter plaatse de loftrompet te steken over het nieuwe tijdperk dat in de landen ten zuiden van de Middellandse Zee lijkt aangebroken.

Half februari heeft Catherine Ashton, hoofd van de Europese diplomatie, weliswaar een bezoek gebracht aan Tunis om het nieuwe regime namens de Unie steun te betuigen. Zonder te willen zeuren overheerste toen toch de indruk dat Europa er moeite mee heeft zich betrokken te tonen bij een dergelijke belangrijke historische gebeurtenis, terwijl het continent direct betrokken is omdat het zich afspeelt aan zijn zuidgrens.

Niet dat de Unie er verkeerd aan heeft gedaan zich primair zorgen te maken over een mogelijk massale toestroom van vluchtelingen. Dat is terecht. Voor landen als Spanje, Italië en Frankrijk heeft die kwestie inderdaad prioriteit. Wie zou onder de huidige omstandigheden, waarin de meeste EU-landen te kampen hebben met een begrotingstekort, willen beweren dat dit een gunstig moment is om duizenden migranten op te vangen?

De EU hoeft ze geen lesje te leren, maar moet ze evenmin negeren

Premier Zapatero heeft Tunesië via een krediet van de Europese Investeringsbank (EIB) een bedrag van 300 miljoen euro toegezegd. Hij stelt voor een beroep te doen op het bedrijfsleven om Arabische landen die democratie nastreven te hulp te schieten.

Evenals de Franse president heeft hij voorgesteld om de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UPM) nieuw leven in te blazen. Dit plan voor een samenwerkingsverband tussen Europa en de landen aan de zuidkant van de Middellandse Zee, dat in 2008 door Nicolas Sarkozy werd gelanceerd, is nooit van de grond gekomen.

Ook Alain Juppé, de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken die tot ons genoegen deze week in Cairo wordt verwacht, wil het plan weer uit de kast halen. Allemaal goed en wel, maar we hadden toch graag gezien dat Europa zich had ingespannen voor een solidair beleid dat past bij de gebeurtenissen.

We wachten op een gebaar waaruit blijkt dat Europa zich bewust is van haar lotsverbondenheid met dit zo nabije Oosten. We willen horen dat de EU, als ze getrouw wil blijven aan haar grondbeginselen, niet onverschillig kan staan tegenover de aard van de haar omringende regimes.

Ze hoeft andere landen geen lesje te leren en hen evenmin te negeren. Haar buitenlandse betrekkingen zouden echter moeten stoelen op een meestbegunstigingsclausule in het voordeel van landen die de mensenrechten hoog in het vaandel dragen.