In februari 2007 – toen hij nog geen president, maar slechts presidentkandidaat was – stelde Nicolas Sarkozy de landen rond Middellandse Zee een beperkte Unie voor, die in de plaats zou moeten komen van het proces van Barcelona, dat in twaalf jaar tijd maar heel weinig resultaten had opgeleverd. Sarkozy had in feite drie doelstellingen voor ogen: de eerste, acute doelstelling was om stemmen te winnen van Fransen die oorspronkelijk afkomstig waren uit Noord-Afrika of het Midden-Oosten, door omvangrijke ontwikkelingsprojecten aan te kondigen op de zuidelijke oever van de Middellandse Zee. Op langere termijn hoopte hij de hegemonie van Frankrijk in de regio te herstellen. En op een subtieler niveau, tot slot, hoopte hij zo een uitweg te vinden voor Turkije, aangezien Frankrijk zich ertegen blijft verzetten dat dit land een volwaardig lid van de Europese Unie (EU) wordt.

Italië en Spanje hebben zich onmiddellijk fel tegen dit plan gekant. En hoewel het volledig herzien werd, werd het pas veiliggesteld door tussenkomst van Duitsland, een land dat weliswaar niet aan de Middellandse Zee grenst, maar dat vanwege zijn economische belangen sterk bij de regio betrokken is. Zodoende is de Unie voor het Middellandse Zeegebied een instelling geworden waarin alle 27 EU-lidstaten zitting hebben en dat in het verlengde ligt van het proces van Barcelona, dat volgens Bondskanselier Merkel “simpelweg nieuw leven moest worden ingeblazen”. Toen Spanje het voor elkaar had gekregen dat het permanente secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied in Barcelona zou worden gevestigd, heeft het uiteindelijk ingestemd met deze herstructurering.

De reorganisatie betekende in de eerste plaats dat er een algemeen secretariaat moest worden opgericht, evenals vijf bijkomstige secretariaten, waaronder één voor Israël en één voor Palestina. Dit was in het kader van het Barcelona-proces ondenkbaar geweest, omdat de Arabische landen niet wilden dat Israël een leidende rol zou spelen.

Tot de belangrijkste taak van de Unie voor het Middellandse Zeegebied behoren: het bevorderen van samenwerking aan concrete projecten, door prioriteit toe te kennen aan de bestrijding van de verontreiniging van het Middellandse Zeegebied, een regio die bezocht wordt door 200 miljoen toeristen, die onmisbaar zijn voor de economie; het vaststellen van een gemeenschappelijk beleid op het gebied van de burgerbescherming teneinde grote rampen het hoofd te kunnen bieden, of het nu gaat om natuurrampen of rampen waarbij menselijke factoren in het geding zijn; en het opstellen van een plan om zonne-energie te exploiteren en de verbindingswegen over land en over zee te verbeteren.

Op 17 juni 2009 werd in Berlijn een internationale bijeenkomst georganiseerd om de balans op te maken van het eenjarige bestaan van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Tijdens deze bijeenkomst heeft de Duitse staatssecretaris voor Europese Zaken, Günter Gloser, de Duitse eisen duidelijk uiteengezet: een betere beheersing van de illegale immigratie uit een regio waar de werkloosheid onder jongeren alsmaar toeneemt, en het promoten van zonne-energie, met de bedoeling deze in Noord-Afrika op te wekken en vervolgens in Duitsland weer in te voeren.

Onnodig te zeggen dat de landen ten zuiden van de Middellandse Zee de zaken heel anders zien. Zij vinden dat een echte samenwerking, die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van de regio, ook een Europees landbouwbeleid zou moeten omvatten, zodat deze landen hun agrarische producten naar het noorden kunnen exporteren. Daarnaast zou er een Euro-mediterrane bank moeten worden opgericht om de financiering van belangrijke projecten, die nu nog slechts intentieverklaringen zijn, te vergemakkelijken. Ook zouden de visumbeperkingen moeten worden opgeheven, zodat jongeren uit deze landen in Europa kunnen gaan studeren.

Sarkozy had de mislukking van het Barcelona-proces toegeschreven aan het feit dat de EU haar inspanningen op het oosten had gericht en ondertussen het zuiden van het Middellandse Zeegebied aan zijn lot had overgelaten, vanuit de gedachte dat deze regio alleen interessant was voor de omliggende landen. Tijdens dit eerste jaar dat de Unie voor het Middellandse Zeegebied bestaat, is gebleken dat het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat verantwoordelijk was voor de stagnatie van het proces van Barcelona, ook de opvolger ervan heeft lamgelegd. Bovendien is er geen enkele reactie gekomen op de roep om concrete plannen van degenen die niet willen afwachten tot er een einde komt aan een conflict waarvoor nog altijd geen oplossing in zicht is: sociale en economische ontwikkeling zou de beste manier zijn om vrede te bereiken.

Behalve met het Arabisch-Israëlische conflict moet ook rekening worden gehouden met andere, niet te verwaarlozen onderlinge spanningen, zoals het geschil tussen Marokko en Algerije in de Westelijke Sahara, dat een obstakel vormt voor de aanleg van een belangrijke autosnelweg die de landen van Noord-Afrika met elkaar moet verbinden, of het standpunt van Libië, dat in de samenwerking met Europa een terugkeer naar het kolonialisme ziet.

Ook is het moeilijk voor te stellen hoe er op de middellange termijn een efficiënte vorm van samenwerking tot stand zou kunnen worden gebracht tussen de landen ten zuiden en ten noorden van de Middellandse Zee, aangezien het inkomensverschil zich verhoudt als 1 tot 10 – misschien wel het grootste verschil ter wereld -, hetgeen niet veel goeds belooft voor wat ons nog te wachten staat.