Er klonk deze maand een zucht van verlichting in Brussel toen het Duitse Constitutionele Hof bepaalde dat het Verdrag van Lissabon verenigbaar was met de Duitse wet. Duitsland kan het verdrag nu voor het einde van het jaar ratificeren. Maar als je de 147 pagina’s tellende uitspraak leest, realiseer je je dat het Hof een vernietigend oordeel heeft geveld over de toekomstige Europese integratie. Het verklaarde een hypothetische coördinatie van het fiscale beleid of de instelling van één enkele Europees militair gezag bijvoorbeeld als onconstitutioneel.

De uitspraak is niet alleen relevant voor de toekomstige houding van Duitsland ten opzichte van verdere Europese integratie maar heeft ook grote gevolgen voor iedereen die zich nog een mening wil vormen over het Verdrag van Lissabon. De Ierse kiezers, bijvoorbeeld, die in oktober een tweede referendum over het verdrag houden, zouden het besluit wel eens aan een nauwkeurig onderzoek kunnen onderwerpen. Degenen die Ja stemmen bij het referendum zullen dat doen in de wetenschap dat er door deze uitspraak voorlopig geen ander verdrag komt. Dit is misschien wel het laatste woord van onze generatie.

Ik wil wat dieper ingaan op drie aspecten van de uitspraak: de scheiding van macht tussen de lidstaten en de EU. Allereerst neemt het Hof een duidelijk standpunt in over soevereiniteit. De uiteindelijke macht moet altijd op één plaats zetelen – en dat is nu de lidstaat. Als je soevereiniteit aan de EU zou willen overdragen, moet je de nationale grondwet dumpen en daarvoor in de plaats een Europese grondwet aannemen. Daar dit niet gaat gebeuren, bepaalde het Hof dat de soevereiniteit binnen de EU nationaal is. Macht kan worden gedeeld, soevereiniteit niet.

Ten tweede, het Hof erkent het Europarlement niet als een echte wetgevende macht, die de wil van één groot Europees volk vertegenwoordigt, maar als een vertegenwoordigend orgaan van lidstaten. Het Europarlement gedraagt zich niet als een parlement, zo verklaarde het Hof. Er is geen formele oppositie, en geen groep die een overheid steunt. Terwijl het Verdrag van Lissabon de macht van het Europarlement vergroot, verandert er volgens het Hof niets aan de grootste tekortkoming: dat het parlement geen effectieve controle uitoefent over de uitvoerende macht van de EU.

Ten derde, en dit is het allerbelangrijkst, heeft het Hof een expliciete mening gegeven over de kwestie van de Europese integratie. Waar eindigt die? Het antwoord is: hier. Het Hof zei dat de lidstaten soeverein moeten zijn op de volgend gebieden: strafrecht, politie, leger, fiscaal beleid, sociaal beleid, onderwijs, cultuur, media en relaties met religieuze groeperingen. Met andere woorden: de Europese integratie eindigt bij het Verdrag van Lissabon. Het is moeilijk je in de toekomst nog een Europees verdrag voor te stellen dat zowel relevant is als in lijn met deze uitspraak.

De referentie naar fiscaal beleid in de lijst gebieden die voorbehouden zijn aan de lidstaten is interessant met het oog op de discussie over de reacties op de crisis. Ik voel wel wat voor de zienswijze van het Hof dat macro-economisch beleid gecoördineerd moet zijn in een sterke besluitvormende structuur. Maar het Hof trok een verkeerde conclusie door verantwoordelijkheid voor fiscaal beleid exclusief op nationaal niveau te coördineren. Een besluit dat effectief management van de economische crisis in een monetaire unie uitsluit, door alle relevante politieke beslissingen op nationaal niveau te coördineren, is niet in overeenstemming met een duurzame eenheidsmunt. Ik zou niet durven voorspellen wat er gebeurt bij een conflict.

De uitspraak van het Hof weerspiegelt de huidige nationalistische, politieke stemming van het post-Bismarcktijdperk in Berlijn. Op zijn minst zou iedereen die in een monetaire unie zit met Duitsland erg bezorgd moeten zijn.