De voorstanders van ingrijpen geloven dat zij niet alleen vechten om de wreedheden in Libië zelf een halt toe te roepen, maar ook om een voorbeeld te stellen voor de toekomst. Zij willen laten zien dat de tijd dat een dictator zijn eigen burgers kan afslachten, voorbij is. Bernard Henri-Lévy, een Franse filosoof die een onwaarschijnlijke rol vervulde als schakel tussen de Libische rebellen en president Nicolas Sarkozy, zei: "Wat belangrijk is in deze zaak, is dat de 'plicht om in te grijpen' is erkend".

Nicholas Kristof, journalist van The New York Times, huldigt soortgelijke opvattingen: "De wereldmachten hebben het recht en de plicht om in te grijpen wanneer een dictator zijn volk verslindt." Deze gedachte werd in 2005 door de VN goedgekeurd en volgens Kristof wordt met de interventie in Libië "dit kersverse concept bekrachtigd".

Het zou mooi zijn te geloven dat deze verantwoordelijkheid om te beschermen nu echt serieus wordt genomen. Nu de troepen van de opstandelingen snel langs de Libische kust oprukken, zullen de voorstanders van de interventie verheugd zijn.

Laatste hoera

De realiteit gebiedt echter te zeggen dat de Libische oorlog waarschijnlijk eerder een laatste hoera van liberaal interventionisme dan een nieuwe dageraad markeert. De harde waarheid is namelijk dat de westerse mogendheden die de grootste aanhangers zijn van het idee van ingrijpen, economisch niet sterk genoeg zijn of steun van de publieke opinie ontberen om nog veel meer van zulke acties uit te voeren. En de opkomende economische machten – China, India, Brazilië en anderen – zijn bijzonder sceptisch over het hele concept.

Groot-Brittannië, Frankrijk en de VS stemden alle vóór de VN-resolutie die het gebruik van geweld in Libië mogelijk maakte. Maar de groep die bekend staat als BRIC – Brazilië, Rusland, India en China – onthield zich in zijn geheel van stemming. Geen van deze landen heeft veel tijd voor kolonel Khadaffi. Maar landen als China, India en Brazilië denken weinig te winnen en veel te verliezen wanneer zij geld, mankracht en invloed in buitenlandse interventies riskeren. Instinctief bemoeien zij zich met hun eigen zaken en concentreren zich op het doel dat zij voor ogen hebben: de ontwikkeling van hun eigen economische kracht. Een bloedbad in Libië is beslist geen pretje, maar Benghazi ligt ver verwijderd van Beijing of Brasilia.

Er zijn enkele complicaties. Duitsland onthield zich van stemming, maar plaatste zichzelf daarmee buiten de westerse hoofdstroom. Zuid-Afrika, dat voor de volgende top van de BRIC-landen is uitgenodigd, stemde voor de Libische resolutie, maar leverde vervolgens felle kritiek op de bombardementen.

Missionaire ijver

Het algemene plaatje blijft dus intact. De gevestigde westerse mogendheden kennen nog steeds een missionaire ijver om de wereld op orde te brengen. De opkomende machten opereren veel behoedzamer en egocentrischer.

Maar de westerse bondgenoten hebben te maken met slinkende middelen. De Britten hebben zojuist grote bezuinigingen op defensie aangekondigd en ook de Fransen doen hun uiterste best om hun begrotingstekort niet uit de hand te laten lopen en de welvaartsstaat in stand te houden.

Verder is duidelijk gebleken dat het Amerikaanse militaire establishment evenmin om deze nieuwe verplichting staat te springen. President Barack Obama en zijn generaals weten dat de tijd voorbij is dat een Amerikaanse president gewoon kon zeggen dat Amerika "alles zou doen wat nodig is". Admiraal Mike Mullen, de voorzitter van de gezamenlijke stafchefs, heeft gezegd dat het begrotingstekort de grootste bedreiging vormt voor de nationale veiligheid van de VS. Ook is de publieke steun voor militaire operaties overzee na Irak en Afghanistan beperkt.

Discrepantie tussen ambitie en middelen

Als het ingrijpen in Libië snel en succesvol wordt afgerond met het afzetten van Khadaffi en een juichende menigte in Tripoli, zal het liberaal interventionisme uiteraard aan populariteit winnen. Maar succes kan een even grote valkuil worden als mislukking. Na elke geslaagde interventie zal de roep om de volgende campagne klinken – en er is geen gebrek aan mogelijke kandidaten. Die roep klinkt op dit moment al, nu de Syrische regering haar eigen burgers neerschiet. Hoe meer er echter van de westerse mogendheden wordt verlangd, hoe meer zal blijken dat er een groeiende discrepantie bestaat tussen ambitie en middelen.

Die kloof zou op een dag kunnen worden overbrugd als de BRIC-landen en andere opkomende machten hun houding tegenover liberaal interventionisme wijzigen. Er is echter maar heel weinig dat daarop duidt. De Chinese regering, met de gebeurtenissen op het Tiananmen Plein in 1989 in het achterhoofd, is ronduit beducht voor de gedachte dat buitenlanders het recht hebben in te grijpen om mensenrechtenschendingen in een soevereine staat te voorkomen. Hetzelfde geldt voor de Russen, met hun reputatie in Tsjetsjenië.

Koloniale geschiedenis

India, Brazilië en Zuid-Afrika zijn democratische landen die geen scenario klaar hoeven hebben liggen om in geval van nood op hun eigen burgers te schieten. Maar vanwege hun koloniale geschiedenis staan ze sceptisch tegenover de motieven van westerse mogendheden die in de hele wereld hun militaire macht willen inzetten. Het zijn bovendien allemaal opkomende machten die er nog niet aan gewend zijn mondiaal te denken.

Daarentegen bezitten Groot-Brittannië en Frankrijk nog steeds het instinct om mondiaal te denken, maar ontbreekt het hun aan de middelen om dat principe in de praktijk te brengen. Zelfs de VS, verreweg de meest prominente militaire macht ter wereld, geven krachtige signalen af dat zij niet langer voor politieman willen spelen.

In het Victoriaanse tijdperk zongen de Britten ooit: “We don’t want to fight, but by Jingo if we do/ We’ve got the ships, we’ve got the men, we’ve got the money too” [Wij willen niet vechten, maar verdraaid, als het dan toch moet, dan hebben we de schepen, de mankracht en het geld, red.]. Het ingrijpen in Libië heeft meer weg van een zwanenzang van dit oude lied dan van een krachtige opmaat tot een nieuw tijdperk.