In maart hebben militieleden van de Hongaarse extreemrechtse partij Jobbik een paar weken lang in een dorp gepatrouilleerd tegen ´de zigeunercriminaliteit´. Een verontrustend machtsvertoon, waarvoor de regering van Viktor Orbán de ogen sloot. Ondertussen roept de EU haar lidstaten op concreet actie te ondernemen om de positie van de 10 à 12 miljoen Roma in Europa te verbeteren…

Zonder zijn middeleeuwse kerk en zijn wijnkelders die verscholen liggen in de heuvels, zou Gyöngyöspata een dorp zijn zoals zoveel andere Hongaarse dorpen: met een gemeentehuis dat nog uit het communistische tijdperk stamt, een kleine Coop-supermarkt, keurig aangeharkte tuintjes waar de eerste hyacinten tevoorschijn komen en de modderige straatjes van het Roma-getto.

Een proeftuin tegen ´zigeunercriminaliteit´

In maart echter stond in dit dorp, dat 2.850 inwoners telt en op een uur rijden ten noordoosten van Boedapest ligt, de toekomst van Europa even op het spel. Onder leiding van Jobbik (de partij die in april 2010 met 16,8 procent van de stemmen zitting kreeg in het Hongaarse parlement, maar momenteel in de peilingen terugzakt) veranderde extreemrechts Gyöngyöspata in een proeftuin tegen ´zigeunercriminaliteit´, door er dag en nacht te patrouilleren. De militanten kregen daarbij steun van een groot aantal dorpelingen, die hen tevens twee weken lang kost en inwoning aanboden.

Op 6 maart kwam Jobbik-leider en parlementslid Gábor Vona naar Gyöngyöspata om 1.500 paramilitairen toe te spreken. De meesten van hen waren gekleed in het zwarte uniform van Szebb Jövoert ("Voor een mooiere toekomst"), een organisatie die onder de legale paraplu valt van de dorpsmilities die uit zelfverdediging handelen. Er waren ook agressieve types bij in gevechtskleding en met kaalgeschoren hoofden die, met een pitbull aan hun zijde, met bijlen of zwepen liepen te zwaaien. De eerste paar dagen durfden de Roma-families hun kinderen niet eens meer naar school te sturen.

"Fidesz had ons werk beloofd."

De plaatselijke politie greep niet in, ondanks dat Szebb Jövoert grote gelijkenis vertoont met de Hongaarse Garde, een aan Jobbik verwante paramilitaire organisatie die eveneens intimiderend optrad tegen de zigeunerminderheid, maar die vervolgens in juli 2009 door het constitutionele hof werd ontbonden. Pas toen de militanten op 16 maart uit eigen beweging het strijdtoneel van Gyöngyöspata verlieten, kwam er een reactie van de regering van de conservatieve premier Viktor Orbán.

Op de Hongaarse nationale feestdag 15 maart hield Orbán in Boedapest een toespraak, waarin hij hoog opgaf van de moed waarmee de Hongaren zich teweerstellen tegen dictaten van buitenlandse mogendheden, inclusief de Europese Unie, waarvan Hongarije tot 1 juli het roulerend voorzitterschap bekleedt. Bij deze gelegenheid wijdde Orbán geen enkel woord aan Gyöngyöspata.

Toch was er die dag ook een handjevol tegendemonstranten op de toespraak afgekomen, onder leiding van de voorzitter van de Stichting Burgerrechten voor de Roma, Aladár Horváth. Onder hen was predikant Gábor Iványi, evenals twee afgevaardigden van de kleine groen-liberale partij LMP (die bij de verkiezingen van 2010 slechts 314 stemmen wist te behalen, ondanks 6 duizend potentiële kiezers onder de Roma-zigeuners). "Wij hebben hier massaal op Fidesz gestemd" (de regeringspartij van Orbán, die een tweederde meerderheid in het parlement heeft), vertelt Janos Farkas, de leider van de uit vijfhonderd leden bestaande Roma-gemeenschap van Gyöngyöspata. "Want Fidesz had ons werk beloofd."

Wij zijn in de eerste plaats Hongaren!"

Een jaar later is het werkloosheidspercentage in Hongarije nog niet gedaald; alleen wordt er nu nog maar één uitkering per familie verstrekt. Bovendien heeft de regering flink gesneden in het budget dat aan de ´autonome besturen´ van de minderheden wordt toegekend.

Sinds de bossen in Hongarije in 1992 opnieuw werden geprivatiseerd, hebben zigeuners niet langer het recht om er paddenstoelen te zoeken of stookhout te verzamelen. "Wij hebben aangeboden om de bosgebieden schoon te houden, in ruil voor deze betaling in natura. Daar wilden de eigenaren echter niets van weten", merkt Farkas op. "Maar wij leven hier al vijfhonderd jaar. Onze voorouders hebben dit prachtige land tegen de Turken verdedigd. Wij zijn in de eerste plaats Hongaren en daarna pas zigeuners!"

De criminaliteit neemt toe op het Hongaarse platteland, waarvan de bewoners zich in de steek gelaten voelen. Sommige moorden hebben de publieke opinie diep geschokt, zoals toen een leraar eind 2006 in Olaszliszka (in het noordoosten van Hongarije) voor de ogen van zijn kinderen werd gelyncht, omdat hij met zijn auto een Roma-meisje had geschampt. Jobbik heeft een monument voor hem opgericht. Omgekeerd heeft een reeks moordaanslagen tegen Roma-zigeuners – die in 2009 waren gepleegd door een groep neonazi´s, die daar momenteel in Boedapest voor terechtstaat – nauwelijks tot beroering onder de bevolking geleid.

Extreemrechts ziet het geboortecijfer als een bedreiging

In Gyöngyöspata is de aanleiding voor het conflict waarschijnlijk geweest dat het Hongaarse Rode Kruis huizen had aangekocht om Roma-families, die slachtoffer waren van de overstromingen in 2010, in onder te brengen. Het vooruitzicht dat zij zich in de dorpskern zouden vestigen, riep veel weerstand op. Daarom hebben bewoners een brief aan Gábor Vona geschreven, legt Oszkar Juhasz uit, die voorzitter is van de plaatselijke afdeling van Jobbik (26 procent van de stemmen bij de verkiezingen van 2010).

Wijnbouwer Juhasz stamt af van één van die oude adellijke families die het vroeger nauwelijks beter hadden dan de horigen, maar zichzelf beschouwden als vlees en bloed van het Hongarije dat in 1896 duizend jaar bestond. Bij de ingang van zijn huis heeft hij een kaart van Hongarije opgehangen, met daarop de grenzen van vóór 1920. Extreemrechts, dat geobsedeerd is door het historische verlies van tweederde van het nationale grondgebied van Hongarije, ziet het geboortecijfer van de zigeuners als een bedreiging: "Sinds 1898 is hun aantal ruim honderd keer zo groot geworden", stelt hij. "Wij zijn niet racistisch, maar het integratiebeleid ten aanzien van Roma-zigeuners komt er maar al te vaak op neer dat de levensstandaard van niet-Roma omlaag gaat."

Op zaterdag 2 april liep Oszkar Juhasz in zijn zwarte uniform mee in een demonstratie door Hejöszalonta, een dorp met 900 inwoners (in het noordoosten), samen met andere 'Hongaarse patriotten'. Vlak daarvoor had Fidesz-fractievoorzitter János Lázár tegenover journalisten de mogelijkheid geopperd om de wapenwetgeving te versoepelen, waarbij er meer ruimte zou komen voor zelfverdediging. Dat was een eis van Jobbik.