Het Europees parlement wordt opnieuw getroffen door corruptieschandalen en de kwestie van het lobbyen duikt weer op na het ontslag van een aantal Europarlementariërs die in de valkuil waren gestapt van journalisten van The Sunday Times, die zich hadden voorgedaan als lobbyisten.

Jerzy Buzek, de voorzitter van het Europees parlement, is fervent voorstander van een nultolerantiebeleid ten opzichte van iedere vorm van corruptie. Europese analisten beweren echter dat het Europees parlement weerloos is: het kan zich er kwaad over maken en een intern onderzoek gelasten, maar beschikt over geen enkel middel om 'de zwarte schapen' tot vertrek te dwingen.

Na de publicatie van het Britse weekblad, waarin werd onthuld hoe de parlementariërs waren bezweken voor de verleiding door geld te accepteren in ruil voor steunbetuigingen voor bepaalde amendementen, is de nervositeit alleen maar toegenomen. Is het een corruptieschandaal? Een lobbyschandaal? Of een mediaschandaal? Hoe het ook zij, het onderzoek van The Sunday Times brengt het instituut in zijn geheel in diskrediet.

Zetel van de Europese instellingen

In lobbykwesties geniet de EU bijzondere aandacht, aangezien communautair recht in bijna alle gevallen prevaleert boven nationaal recht en omdat de macht slechts op enkele zeer goed gedefinieerde plekken is geconcentreerd. De vertegenwoordigers van belangengroepen hebben heel goed begrepen dat Brussel het 'epicentrum' is om te komen lobbyen.

Het wemelt hier dan ook van duizenden lobbyisten, honderden PR-bureaus en advocatenkantoren, een tiental denktanks en “afdelingen Europese aangelegenheden" van honderden bedrijven. De burgermaatschappij en milieugroepen kunnen geen tegenwicht bieden tegen de enorme financiële en logistieke middelen die het bedrijfsleven heeft ontwikkeld. Zo beschikt de Europese Raad voor Chemische Nijverheid(CEFIC) over meer lobbyisten dan alle organisaties ter bescherming van het milieu samen.

De Europese commissie, bij wie het exclusieve recht berust om nieuwe Europese wetten te ontwikkelen en in te dienen, is daarbij een van de voornaamste doelgroepen. Toch is de belangstelling van lobbyisten voor het Europees parlement proportioneel gegroeid naarmate het EP meer macht kreeg (voortvloeiend uit van het Verdrag van Lissabon). Voortaan kan het Europees parlement de voorstellen van de Europese Gemeenschap goedkeuren, blokkeren of wijzigen en dus zijn de Europarlementariërs een belangrijke doelgroep geworden.

De EU treedt in het vervolg steeds vaker op technisch ingewikkelder terreinen op, waarvoor vaak een bepaalde expertise noodzakelijk is. In plaats van het opbouwen van eigen expertise heeft de Europese commissie de lobbyisten vrij spel gegeven, die daardoor automatisch gesprekspartners zijn geworden voor de beslissingsbevoegde personen. Tegenwoordig beschikken belangengroeperingen over hun eigen toegang tot de Europese instellingen.

In plaats van zich in te spannen voor het algemeen belang dienen ze steeds vaker hun eigen belang en dragen er zo toe bij dat de Europese wetgeving in een richting wordt gebogen die gunstig is voor de grote bedrijven waardoor ze worden betaald. Pressiegroepen verbergen hun werkelijke motieven zorgvuldig door brievenbusfirma's op te richten en door net te doen alsof ze voor NGO's werken of 'onafhankelijke deskundigen' financieren.

Een baan bij het bedrijf waar ze lobbyden

De EU lijkt zich niet erg veel zorgen te maken over de invloed van belangengroeperingen die in de schaduw opereren. Brussel vaart wel op basis van deze invloedindustrie en leeft van de machtsspelletjes van pressiegroepen. Ambtenaren, diplomaten, een lobbyisten en journalisten komen elkaar in Brussel immers van 's morgens vroeg tot 's avonds laat tegen, lunchen in de Europawijk, dineren in de Zavelwijk, zijn aanwezig bij borrels, bezoeken 's avonds en tijdens de weekeinden dezelfde club, waar ze het slechts over één nobele zaak hebben: het welzijn van Europa!

Bovendien neemt het aantal gevallen toe van voormalige eurocommissarissen die hun diensten en hun invloed aan lobbygroepen verkopen, waardoor grote belangenconflicten ontstaan die uiteindelijk de Europese uitvoerende macht corrumperen. Daar zit Brussel behoorlijk mee in zijn maag. Van de 13 eurocommissarissen die de Europese commissie in februari 2010 hebben verlaten, werken er zes tegenwoordig in de particuliere sector, terwijl ze tegelijkertijd nog Europese toelages ontvangen.

Toeval of niet, ze hebben allemaal een functie gevonden bij particuliere bedrijven wier belangen ze tijdens hun mandaat al behartigden. Het beroemdste voorbeeld daarvan is de sociaaldemocraat Günter Verheugen. Als eurocommissaris was hij belast met de post Ondernemingen en Industrie (2004-2010). Hij kreeg kritiek omdat hij grote bedrijven zou hebben bevoordeeld ten koste van maatschappelijke bezorgdheid en zorgen om het klimaat. Niet lang na afloop van zijn mandaat richtte hij een eigen adviesbureau op het gebied van lobbyen op, European Experience Company.

Zijn bureau helpt “hoge functionarissen van publieke en particuliere instellingen" bij hun activiteiten op het terrein van lobbyen bij de EU. Het kantoor factureert "strategische aanbevelingen op het terrein van EU-beleid". Volgens de Duitse Europarlementariër Inge Grasle (CDU) “kan iedereen die voldoende geld heeft de toegang van Verheugen tot Europese instellingen gewoon kopen". Uiteraard heeft het ethisch comité van de Europese commissie zich over dit geval gebogen, zonder ook maar iets te vinden dat hem kon worden verweten. Overigens keurt dit comité systematisch uitzonderingen goed voor vroegere eurocommissarissen die officieel een jaar moeten wachten voordat ze zich als lobbyist mogen voordoen.

Gedragscode

Het behartigen van belangen maakt deel uit van de legitimiteit van een democratische staat. De EU heeft, in het kader van de pogingen om het vertrouwen van het publiek te winnen, een vrijwillig register opengesteld en bereidt zich voor om een gedragscode te aanvaarden, om te zorgen dat de belangenbehartiging transparanter wordt. Volgens de NGO Alter-EU die strijdt voor transparantie bij de praktijken van lobbyisten is slechts 40 procent van de lobbygroepen ingeschreven in dit register.