Als je in de straten van Reykjavik loopt, kun je niet om het enorme bouwterrein heen: tegenover de zee wordt een imposant complex van zwart beton en spiegelglas in de vorm van honingcellen opgetrokken, dat uit de toon valt bij de laagbouw in de hoofdstad. De Harpa, ontsproten aan de geest van de beroemde Deense kunstenaar Olafur Eliasson, zal voor IJsland als opera en congrescentrum fungeren. Ondanks de vrees dat de werkzaamheden zouden worden stilgelegd, zal het gebouw op 4 mei eindelijk worden ingewijd. Na het instorten van de banken op het eiland in oktober 2008 moest de Portus Groep, de private investeerder die dit aanvankelijk op 12 miljard IJslandse kroon (74 miljoen euro) geraamde project financiert, de regering en het stadsbestuur van Reykjavik om hulp vragen om de bouwactiviteiten voort te kunnen zetten. De overheid gaf zonder blikken of blozen haar steun en dus zal deze architectonische parel worden voltooid. Maar IJsland bevond zich toch in een crisis?

IJsland is nog altijd zwaar getekend door zijn bijna-faillissement maar heeft geen rigoureuze bezuinigingsmaatregelen doorgevoerd. In tegenstelling tot de tendens op het vasteland heeft het eiland besloten iets meer tijd te nemen om zijn 'begrotingsaanpassing' te realiseren. Met als gevolg dat sommige projecten gewoon worden voortgezet. De bezuinigingen hebben een omvang van 10 procent van het bruto binnenlands product (bbp), verspreid over drie jaar. Dat is een totaal ander beleid dan van een ander eiland waarmee IJsland vaak wordt vergeleken en dat eveneens zwaar door de crisis is getroffen: Ierland wil zijn tekort alleen al in het jaar 2011 terugdringen van 32 procent tot 9 procent. Reykjavik zegt dat er weer sprake is van enige groei (volgens de prognoses rond 3 procent dit jaar) en dat de schuld zonder al te veel forceren is verminderd.

Zeer open economie

Hoe heeft deze minuscule economie (320.000 inwoners) het voor elkaar gekregen er in slechts twee jaar weer boven op te komen? Economen geven drie verklaringen:

Eén: de devaluatie van de IJslandse kroon. De waarde van de munt kelderde eind 2008 40 procent en meteen daarna herstelde de export van aluminium en vis zich.

Twee: het beginsel van 'too big to save' [te groot om te redden, red.]. Dat is precies het tegenovergestelde van 'too big to fail' [te groot om failliet te gaan, red.], dat tot op heden in de Verenigde Staten en in Europa opgeld doet en op grond waarvan de staten verplicht zijn hun belangrijkste banken te redden, om een kettingreactie van faillissementen te voorkomen. In IJsland waren de drie grote banken veel te groot (tot maar liefst tienmaal het bbp in 2007) om integraal te worden gered en daarom heeft de overheid alleen de 'interne' activa opgekocht, dat wil zeggen de leningen van particulieren en bedrijven in IJsland. De aandeelhouders moesten de grootste verliezen, die op buitenlandse activa, zelf incasseren.

Drie: minder hard snijden dan elders, in overleg met de sociale partners. In 2009 werd een 'sociaal stabiliteitspact' gesloten, met als doel niet te hoeven korten op de sociale sector.

Er mogen dan contouren van herstel zichtbaar zijn, aangedreven door de export van deze zeer open economie, maar de huishoudens zijn nog niet op adem gekomen. De consumptie blijft hangen op 20 procent van het oude niveau. De werkloosheid is weer iets gedaald tot ongeveer 7 procent, na te zijn opgelopen tot 9,7 procent. In Ierland staan de zaken er overigens nog veel beroerder voor. Daar zit 14 procent van de beroepsbevolking zonder werk.

Sigridur Gudmunsdottir behoort tot de duizenden IJslanders die slachtoffer zijn van een crisis die zij niet hebben veroorzaakt. Vroeger had ze een '2007-baan', aangenaam en goed betaald werk tijdens de euforische jaren ‘00. "Sommige mensen zeggen dat we te veel hebben gefeest, te veel hebben geconsumeerd en te veel hebben geleend. Maar dat is niet waar: slechts een miniem deel van de IJslanders heeft echt van de situatie geprofiteerd", betoogt ze verontwaardigd.

Geen gemopper in IJsland

Sigridur werd ontslagen toen de recessie haar dieptepunt had bereikt. Vervolgens ging ze op vijftigjarige leeftijd weer aan de universiteit studeren. "Zo kan ik een studietoelage krijgen en die is hoger dan de werkloosheidsuitkeringen", zegt ze. In 2006 leende ze 11 miljoen kroon (68.000 euro) om een huis te kopen. Deze lening was deels aan de inflatie geïndexeerd en steeg na de crisis explosief tot 14 miljoen kroon (86.000 euro). Naarmate de tijd vorderde, voelde ze zich steeds meer als een kat in het nauw: enerzijds nam de omvang van haar lening toe en anderzijds zakte de reële waarde van haar woning in.

Sigridur weet nog niet zo goed hoe ze haar schulden moet afbetalen, maar ze klaagt niet: "Sommige IJslanders hebben het nog veel slechter. Iedereen die leningen in vreemde valuta heeft afgesloten, zit echt in grote problemen." In IJsland hoor je geen gemopper. Per slot van rekening is het leven op een eiland altijd hard geweest. Denkt ze er wel eens over om net als anderen te vertrekken? "Dat is onmogelijk. Ik ben te sterk gehecht aan mijn IJslandse wortels." Leeft de IJslandse economie weer op? "Vraag maar op straat, niemand gelooft erin."

Zo te horen aan de gesprekken in Reykjavik gaapt er een enorme kloof tussen een politieke klasse die ervan overtuigd is dat de crisis tot het verleden behoort, en gewone burgers die de gevolgen van het bijna-faillissement van het eiland ondervinden en proberen weer op te krabbelen. Na het financiële debacle wordt in IJsland steeds maar over het bbp en het overheidstekort gesproken, die als enige relevante indicatoren van het huidige beleid worden beschouwd. Dat geldt niet alleen hier, maar ook elders in Europa. Maar nadat het eiland bepaalde banken tot een faillissement heeft verplicht en een gematigd bezuinigingsbeleid heeft gevoerd, wordt het nu tijd voor alternatieve instrumenten om het welzijn van de bevolking te meten.