Grenzen hebben al tijden geen geheimen meer voor hem. Hij heeft er al zoveel gezien. Zelfs in de nacht van zijn geboorte in Triëst, in 1947. Het kleine stukje aarde aan de rand van de Adriatische Zee dat de pracht en praal van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk meemaakte voordat het bij Italië werd gevoegd, werd die nacht, na de verwarring en verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, de ‘Vrije Zone Triëst’. "Ik herinner me de gezichten van de communistische politieagenten aan de grens en de Joegoslavische vrouwen die van het land afkwamen en die hun melkbus op het hoofd droegen. Mijn ouders beleefden die grens als een nachtmerrie. Voor mij was het een uitnodiging tot reizen, een lijn waarachter het onbekende begon."

Die nieuwsgierigheid, die drang om het ruime sop te kiezen bleef hij altijd houden. Tijdens zijn langste reis zigzagde Paolo Rumiz langs de oostgrenzen van de Europese Unie, van de Barentszzee tot de Zwarte Zee. Drieëndertig dagen, tien landen, zo'n zesduizend kilometer die werd afgelegd te voet, per bus, trein, boot of meeliftend in een auto, met slechts zes kilo bagage met de hoogst noodzakelijke spullen, zeven notitieboekjes en een verhaal, het eerste verhaal van deze Italiaanse reiziger-schrijver dat in Frankrijk werd gepubliceerd.

Zo dicht mogelijk bij de ziel van het Slavische volk

Een verticale reis door een Europa waarvan hij ontdekte dat het langer is dan breed, om zo dicht mogelijk bij de ziel van het Slavische volk te komen. Een mooie schrijfstijl waarin licht en donker worden afgewisseld, badend in tederheid en melancholie, waaruit een nu eens krachtige, dan weer delicate energie opstijgt. En de gezichten en gefluisterde verhalen die hij hoorde tijdens zijn ontmoetingen met de Samen, de laatste rendierhoeders op het schiereiland Kola, pater Leonidas die soldaat was bij de Russische speciale eenheden, Alexander, de wees met een gevoelig hart die werd gekweld door de angst over wat hem zou wachten na twee jaar gevangenschap, de monniken van de Solovki-eilanden, Mariusz, de weerwolf die op de kachel in zijn huisje slaapt dat verborgen ligt in de schaduw van de kapel van de beschermheilige van de landlopers, de blini-tovenares, de zwijgers van Estland, de koren van Letland, de oud-gelovigen aan de oevers van het Peipusmeer, Rita en Kolonia die voor altijd als 'buitenlanders' bestempeld worden in hun paspoort, de jonge aspirant-officieren in Kalinigrad, Lilia die het oude Joodse kerkhof bewaakt. Met zijn allen geven zij de atlas van moderne staten een gezicht, en een ziel aan vergeten regio's. Botnië, Karelië, Livonië, Koerland, Latgalië, Mazurië, Polesië, Volhynië, Ruthenië, Podolië, Bucovina, Boedzjak, Bessarabië, Dobroedzja... al deze "door de geopolitiek opgeslokte oude grensprovincies".

"Baden in menselijkheid", noemt Paolo Rumiz het. De schrijver kan met recht aanspraak maken op een "meervoudige identiteit: een Slavische ziel, Duitse cultuur, Italiaanse taal en een beetje Frans", omdat zijn eerste reizen hem naar Frankrijk brachten en hij zich laafde aan de verhalen van Antoine de Saint-Exupéry, Nicolas Bouvier en Bernard Moitessier.

Triëst als seismograaf

Zijn eerste verhaal schreef hij toen hij 21 jaar was. Maar hij volgde vooral jarenlang voor Il Piccolo, de krant van Triëst, de val van het communisme, het uiteenvallen van het voormalig Joegoslavië, de Balkanoorlog. "Zich vastklampend aan de noordkust van de Middellandse Zee fungeert Triëst, mijn stad, als een seismograaf, een balkon naar andere horizonten. In de cafés was het normaal om te praten over wat er in het buitenland gebeurde. De mensen van mijn generatie werden gevoed met het brood van de geopolitiek."

Vlak na zijn zestigste verjaardag besloot Paolo Rumiz deze reis langs de grenzen van Europa te ondernemen. Aan het eind van de nacht vol feestelijkheden om de val van de Schengengrens rond Triëst te vieren, toen het laatste stuk staal dat de scheiding met Slovenië symboliseerde vernietigd was, begreep hij dat hij iets zou gaan missen: "de droom, de schaduw waarover ik heen moest stappen, het gevoel iets te doen dat verboden is".

Dus vertrok hij, "net als een zalm die de rivier opzwemt", "richting de Slavische ziel". Zijn verhalen verschijnen als feuilleton in La Reppublica. Een vaste gewoonte sinds 2001. Over een maand vertrekt Paolo Rumiz voor zijn elfde reis voor de Italiaanse krant. Maar zijn reisverhalen kunnen de open wond die de Balkanoorlog veroorzaakte, niet helen. "Ik voel me verraden door de manier waarop Europa zijn ogen sloot voor wat er zich afspeelde op de Balkan, vooral voor Bosnië. Daar wilde men alleen maar moslims zien, waar Europeanen met een Turkse cultuur leefden. De onmacht om dat uit te kunnen leggen, de onmacht ten opzichte van het geweld tegen onschuldige mensen maakte me fysiek ziek. Ik zal altijd het gevoel houden in het krijt te staan bij de arme Bosniërs. Later heb ik een verhaal geschreven in dichtvorm over Bosnië, een liefdesverhaal dat zich afspeelt vanaf het einde van de oorlog tot in 2002. De lezers begrepen die poëzie terwijl ze niets begrepen hadden van de oorlogsverslaggeving. Journalistiek vertelt niet altijd de waarheid. Soms moet je op zoek naar een ander taalregister. Ik vond een versvorm die de ziel beroerde. Daarmee kon ik dingen zeggen die ik in mijn leven als journalist niet onder woorden wist te brengen. Tegenwoordig lijk ik wel een slaapwandelaar die klem zit tussen de waarheid van de journalistiek en de metaforen van poëzie en fictie."