Ik ontmoet hem in Ravenna waar het kantoor van het tijdschrift is gevestigd in de het souterain van de boekwinkel annex galerie annex vereniging Mirada, en Costantini zelf de scepter zwaait. Andrea Zoli is met me meegekomen. Met deze bevriende striptekenaar heb ik Constantini al eens eerder geïnterviewd. Toentertijd hebben wij met hem gesproken over een fanzine dat in de vorm van kopieën werd verspreid. Het doel van ons bezoek: te weten komen wat underground nu eigenlijk is. Is het een domein dat wordt bevolkt door dromers en lanterfanters? Moet je om door te breken of op z’n minst te kunnen leven van het striptekenen, afzien van je idealen?

De in 1971 geboren striptekenaar zet zijn eerste stappen als professional in 1993, wanneer zijn tekeningen voor het eerst in nationale striptijdschriften verschijnen ”na heel wat keren door uitgevers te zijn afgewezen”, bekent hij. Hij debuteert met illustraties en ‘decoratieve’ striptekeningen in een periode dat ”de uitgeverijen compleet in crisis verkeerden”, reden te meer om zich met hart en ziel op het internet te storten dat nog maar net bestond. Het project Inguine was eigenlijk ook uitsluitend voor internet bestemd, wat een ”perfect middel is voor striptekeningen”, ook al ”kun je opnieuw beginnen als je van site verandert”.

Geen censuur of copyright

Internet wordt zo de etalage waar Costantini internationale bekendheid kan verwerven, dankzij Political Comics, een soort krant in stripvorm met korte verhalen uit de hele wereld. ”Na twee jaar decoratieve strips was ik het zat en ben volledig van richting en genre veranderd,” vertelt hij ons. ”En als je ook maar een greintje commercieel inzicht hebt, weet je dat je dat niet moet doen. Maar mij bood het de gelegenheid te gaan begrijpen wat ik tekende, nadat ik me een hele tijd had opgesloten in mijn studio om te tekenen zonder te weten wat er buiten gebeurde. Deze tekeningen zijn blijvend. Van tijd tot tijd verschijnen ze op sites of op flyers van kraakpanden. Ook in het buitenland worden ze gebruikt om personages zonder duidelijk gezicht te illustreren, want uit een striptekening komen ze veel sterker naar voren. Dat waren de underground-strips: geen opdrachtgevers en een publiek dat er vrij gebruik van kon maken, geen censuur of copyright.

Misschien was het wel deze radicale breuk en het daaropvolgende succes die de tekenaar uit Ravenna de nodige vrijheid hebben geboden om nieuwe horizonten te verkennen, met de nieuwsgierigheid die underground eigen is: “iets anders doen, iets compleet nieuws, wat nog nooit iemand heeft gedaan. Als je wilt opvallen moet je de gebaande paden verlaten. Nooit blijven vasthouden aan één genre. Het is juist veel interessanter om steeds met een nieuw genre te experimenteren,” zonder uit het oog te verliezen dat “de techniek altijd voorop staat. Je moet heel erg veel tekenen, zoals de schilders uit de 15e eeuw dat deden. Ikzelf teken al sinds mijn vijftiende acht uur per dag.

Maar underground is niet alleen een kwestie van genre. De gekozen thema’s, tekeningen en de visie als uitgever zijn even belangrijk. “In de jaren zeventig was seks bijvoorbeeld het voornaamste onderwerp van de underground, want dat shockeerde in die tijd. Tegenwoordig hebben we het meer over politiek. Het perfecte underground-tijdschrift is World War 3, in New York opgericht door actievoerders als Peter Kuper, waarin de strip wordt gebruikt om de opvattingen luid en duidelijk naar voren te brengen,” verklaart Costantini. Het blijft echter lastig om underground te definiëren: er zijn maar weinig striptekenaars die zich niet voor geld verkopen en integer blijven, zoals de tagger Blu of de striptekenaars Max Andersson en Robert Crumb. Helaas is het nog altijd zo dat op een paar uitzonderingen na “alleen degenen die voor het grote publiek werken ervan kunnen bestaan.

Dit zijn dan ook niet de enige activiteiten van Constantini: als perfecte cultuuraanjager organiseert hij exposities, ontmoetingen, discussies en vooral het festival Komikazen (dat hij samen met Stamboulis heeft opgericht) en heeft zo auteurs van het kaliber van Joe Sacco, Marjane Satrapi en Zograf naar Italië weten te halen. De exposities ontstaan in het kader van het festival gaan vervolgens Europa door en zo kan men op het oude continent de coulissen van het striptekenen beter leren kennen. Costantini noemt met name voormalig Joegoslavië als een van de interessantste landen: “Daar heb je uitzonderlijk goede striptekenaars. Aangezien er niets is op dat gebied zijn ze automatisch underground. Ze vertellen wat ze willen, ze tekenen wat ze willen. Ze zijn compleet gestoord en genieten er nog van ook. In Frankrijk is er daarentegen ondanks dat de stripmarkt de grootste ter wereld is minder interessants te vinden op het moment.

Zijn er nog Europese beginnende tekenaars die de moeite waard zijn? Na een paar seconden bedenktijd geeft Costantini slechts één naam: “Raul, uit Spanje. Heeft nog maar drie stripboeken getekend en nu maakt hij illustraties voor kranten. Hij heeft zelfs geen site, dus om hem te leren kennen moet je zijn boeken in het Spaans kopen.” In ieder geval is het jonge talent bij dezen genoemd.

Mattia Bergamini