De weigering van de Westerse bondgenoten om op dezelfde manier in te grijpen bij de opstand in Syrië als ze doen in Libië, zou best te wijten kunnen zijn aan een capaciteitsgebrek. Het optreden van Assads troepen tegen de manifestanten in Syrië kan desalniettemin moeilijk humaner of acceptabeler genoemd worden dan wat Khaddafi deed en nog steeds doet om de opstand van zijn rebellerende onderdanen de kop in te drukken. In Syrië zou militair ingrijpen echter veel complexer zijn en rekening houdend met de strategische ligging van het land in het wespennest van het Midden-Oosten, zou de uitkomst onvoorspelbaar zijn. Dat mag geen verrassing heten. Het is het logische resultaat van de fout die er gemaakt is (die nu schoorvoetend wordt toegegeven) door niet vooraf te bedenken hoe ze het enige betekenisvolle doel van de hele onderneming – het vertrek van Khadaffi -zouden willen bereiken. En of ze daartoe überhaupt in staat zouden zijn.

De legitieme redenen om niet te proberen de Syrische tanks ervan te weerhouden demonstranten af te slachten, zijn geen excuses voor de Europese Unie die tijdens deze recente crisis weer eens volkomen faalde en zelfs niet in staat bleek met zijn eigen middelen ook maar het minste te doen wat ze in betere tijden wel had kunnen doen. Hoe kan het dat de strengste sancties tegen een van de meest vooraanstaande leden van het Syrische regime pas gisteren van kracht werden, en dat het hoofd van dat regime, president Bashar al-Assad, zelfs niet op die lijst voorkomt? Hoe kan het dat de Unie pas maandag zijn fiat voor een wapenembargo tegen Syrië gaf, bijna twee maanden na het uitbreken van de onlusten? Beide handelingen lijken niet meer dan een gebaar te zijn. Maar waarom kwamen deze gebaren dan niet eerder, om er nu echt eens het ‘duidelijke en stevige signaal’ vanuit te laten gaan waarover Europese politici maar blijven praten? Wat er zoals gewoonlijk vanuit gaat is eerder weer een bewijs van hun onmacht.

Paradoxaal genoeg kan één van de verklaringen de zorgvuldige zogenaamde opbouw van een gemeenschappelijke Europese diplomatie zijn. Tot nu toe was het enige effect van die gemeenschappelijke diplomatie op de droom van de Unie om zijn militaire capaciteit op het internationale toneel in te zetten, een negatieve invloed. Besluiten worden nog steeds op dezelfde manier als altijd genomen: de grote lidstaten komen onderling wel tot een overeenkomst. Om te voorkomen dat deze vertoning te beschamend wordt, werd er puur uit beleefdheid een extra overlegronde aan toegevoegd, waarmee het hoofd van het Europese buitenlandbeleid, Lady Ashton, en haar groep ten tonele verschenen. Geen wonder dus dat Brussel nu nog minder gedaan krijgt dan voorheen.