We zijn een jaar verder en opnieuw is er sprake van een botsing tussen politici en economen in Europa. Een jaar geleden, op maandag 10 mei 2010 om 1 uur ’s nachts, zetten de EU-leiders een zeer moedige stap op weg naar de oprichting van een volledige Europese politieke federatie, een stap die moediger was dan de lancering van de gemeenschappelijke munt in 1999. Het ging om de inrichting van een noodfonds van € 750 miljard, waarvoor alle Europese belastingbetalers collectief garant stonden en dat EU-lidstaten zou kunnen behoeden voor de keuze waarmee Griekenland die nacht werd geconfronteerd: uit de euro stappen of zichzelf failliet verklaren omdat het zijn overheidsschulden niet langer kon aflossen.

Een jaar later is duidelijk dat de Griekse noodhulp onvoldoende is geweest. Daarom heeft Europa besloten op herhaling te gaan. Griekenland heeft de meeste economische doelstellingen niet gehaald. Het heeft € 75 miljard van de € 110 miljard aan noodleningen verbruikt en de Griekse regering erkende afgelopen week dat een nieuwe, grote noodlening nodig is om de schulden volgend jaar te kunnen aflossen. Dissidente Duitse functionarissen lekken voorzichtig suggesties naar de financiële pers dat Griekenland uit de eurozone zou kunnen worden gezet of dat Athene binnenkort niet meer aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. Inderdaad lopen de paar private kredietverstrekkers van Griekenland, die hun leningen niet aan de Europese Centrale Bank of aan het noodfonds van de EU hebben overgedragen, nu een risico van 60 tot 75 procent dat ze hun geld niet terugzien. Intussen blijven de ECB en de Europese Commissie iedere gedachte aan het niet kunnen aflossen of het herstructureren van de Griekse schulden afdoen als “ondenkbaar”, net als een jaar geleden.

Herhaling van de financiële crisis

Toch zijn er vier belangrijke, nieuwe elementen in deze herhaling van de Europese financiële crisis. Ten eerste zijn er in plaats van alleen Griekenland nu drie en misschien zelfs vier landen die worden geconfronteerd met een faillissement of verwijdering uit de eurozone: Griekenland, Ierland, Portugal en mogelijk ook Spanje. Bovendien is het nu veel duidelijker dat een Griekse devaluatie of het niet aflossen van schulden tot vergelijkbare ontwikkelingen zou leiden in Ierland en Portugal. Spanje en Italië zouden bijzonder kwetsbaar worden als de eerste drie dominostenen zouden omvallen.

Ten tweede lopen de totale kosten voor belastingbetalers in Duitsland en andere kredietverlenende landen die Griekenland, Ierland en Portugal steunen veel hoger op dat vorig jaar nog werd gedacht, omdat de noodfondsen van vorig jaar voornamelijk werden gebruikt voor het aflossen van leningen van private kredietverstrekkers aan deze landen en hun insolvente banken.

Ten derde mag worden verwacht dat er nog meer politieke weerstand komt tegen een nieuwe ronde aan noodhulp dan vorig jaar, niet alleen in Duitsland, Finland, Oostenrijk en Nederland, maar ook onder schuldeisers. De noodleningen van 2010 hebben gezorgd voor een snel opkomend, sterk anti-Europees sentiment zowel in de landen van de schuldeisers als in de landen die zwaar in de schulden zitten.

Tot slot het goede nieuws, hoewel niet noodzakelijkerwijs voor Europese leiders en centrale bankiers: de economie staat er wereldwijd een stuk beter voor dan een jaar geleden en zou een afschrijving van overheidsschulden waarschijnlijk wel kunnen doorstaan, vooral als deze op gedisciplineerde wijze wordt uitgevoerd, waarbij EU-regeringen gezamenlijk garant staan voor de restschulden.

Omvallende banken

Waarom weigeren Europese politici en centrale bankiers dan om zelfs maar na te denken over herstructurering van de schulden en waarom blijven ze in plaats daarvan maar geld lenen aan Griekenland, Ierland en Portugal, terwijl deze landen dat geld gewoon gebruiken om de leningen van hun private kredietverleners af te lossen?

Afgezien van de vrees voor het veroorzaken van omvallende banken in de stijl van Lehman Brothers, een dreiging die gemakkelijk kan worden voorkomen door het instellen van een pan-Europees garantiefonds dat kleiner van omvang kan zijn dan de noodleningen die nu zijn verstrekt, hebben Europese centrale bankiers een gevestigd belang in het verspreiden van angst over de gedachte aan herstructurering op zich. De ECB is zelf namelijk momenteel verreweg de grootste houdster van Griekse, Ierse en Portugese staatsobligaties en zou enorme verliezen lijden als de waarde daarvan zou dalen.

Bovenop de tachtig miljard euro die de ECB in totaal bezit, heeft de bank meer dan vijfhonderd miljard euro van dit soort giftige obligaties als onderpand voor de leningen aan Ierse, Griekse en Portugese banken. Aangezien de meeste van deze banken na een forse herstructurering van de schulden insolvent zouden worden, zou de ECB blijven zitten met honderden miljarden euro aan waardeloze staatsobligaties. Met een eigen vermogen van slechts € 11 miljard zou de ECB zelf failliet gaan, tenzij Europese regeringen zouden zorgen voor een enorm bedrag aan noodhulp. Dit zou uiteraard wel worden verwacht, maar misschien uitsluitend op straffe van een grotere politieke invloed binnen de ECB.

Macht Europese instanties versterkt

De politieke motivatie voor een aanscherping van de schuldenmaatregelen voor Griekenland, Ierland en Portugal is nog duidelijker. Door van deze landen permanente schuldenaren van de ECB en verschillende EU-noodfondsen te maken, versterken Brussel en Frankfurt de macht van gecentraliseerde Europese instanties enorm, ten nadele van de lidstaten. Terwijl de ongekende controle van nationale belastingen, overheidsuitgaven en het sociaal beleid, zoals die inmiddels wordt uitgevoerd door de ECB en de Europese Commissie, nu ook wordt opgelegd aan Griekenland en Ierland, heeft de noodhulp precedenten geschapen en institutionele mogelijkheden gecreëerd die geleidelijk kunnen worden uitgebreid naar de hele EU.

De onvermijdelijke ontwikkeling van monetaire unie naar fiscale federatie en uiteindelijk tot een volledige politieke unie werd in 1989 al voorspeld, zowel door eurosceptici als door eurofederalisten, toen Jacques Delors voor het eerst het voorstel van een gemeenschappelijke munt lanceerde en in 1999 opnieuw, toen de euro werd ingevoerd. De ontwikkeling van gemeenschappelijke munt tot een volledig politieke federatie voert langs een iets afwijkende route dan voorzien, maar ligt precies op schema.

De vraag is of Europa haar voorgenomen bestemming bereikt voordat Griekse en Ierse arbeiders of Duitse en Finse belastingbetalers besluiten dat ze voor de gek zijn gehouden.