De geest is uit de fles. Het project EU is in zwaar weer beland. Er is niets modernistisch meer aan, modern zijn de terugtrekking en het verlangen naar nationale beschouwelijkheid. Niet alleen rechtse partijen zetten vaart achter deze trend, er bestaat zelfs al bijna consensus over.

Aangezien de brede aantrekkingskracht van deze gemoedstoestand gepaard gaat met concrete problemen van de EU, is het gemeenschappelijke project inderdaad al bezig af te glijden. Denemarken vormt met de aangekondigde herinvoering van de grenscontroles een voorbeeld voor de wijze waarop het binnenkort in veel lidstaten verder zou kunnen gaan.

Het verlangen om zich terug te trekken

Het verlangen van Europese burgers om zich terug te trekken uit de EU is groot genoeg. Vele Oostenrijkers wensen momenteel de terugkeer van de Schilling, die niet in gevaar wordt gebracht door de ontwikkelingen in Griekenland, Ierland en Portugal. Veel mensen dromen van de herinvoering van grenscontroles, zodat er geen inbrekersbendes, bedelaars, illegale asielzoekers en drugshandelaren meer het land in komen. Ze zouden het toejuichen als Oostenrijkse universiteiten niet langer overspoeld zouden worden door buitenlandse studenten.

Ze zouden zonder meer voorstander zijn van het opnieuw invoeren van beperkingen voor het transitverkeer. Uit enquêtes is gebleken dat een meerderheid voorstander zou zijn van de herinvoering van drempels op de Oostenrijkse arbeidsmarkt. Bovendien zouden veel bedrijven en werknemers het instellen van invoerbeperkingen voor producten die erin slagen hun eigen producten op de markt te verdringen niet alleen steunen, maar zelfs met kracht eisen. Wat hen betreft kan de ontvlechting beginnen.

Dat gaat ook inderdaad gebeuren als er binnen onze regering niemand opstaat en zich nu eens duidelijk voorstander verklaart van het gemeenschappelijke project Europa. De ontvlechting begint ook als de regeringen van de 27 lidstaten zich aan hun gemeenschappelijke verantwoordelijkheid blijven onttrekken. En de terugtrekking uit de EU begint ook als Europese burgers er geen duidelijke meerwaarde meer in zien, als er niet duidelijk wordt gemaakt dat ze kunnen profiteren van de liberalisering van de interne markt, van het openstellen van de arbeidsmarkt en van de gemeenschappelijke munt.

Wat gebeurt er dan met de onderlinge relaties, zowel voor het private deel als voor het overheidsdeel? Het ergste is de fase van onzekerheid, waarin op de een of andere manier verder wordt geworsteld. De EU bevindt zich momenteel in die fase.

We zouden de kroonjuwelen kunnen behouden

De Europese Unie staat voor de keuze tussen twee pijnlijke opties: ofwel de regeringen van de 27 lidstaten gaan actief aan de slag met het oplossen van de actuele schuldenproblematiek rond de euro, de verwerpingen op de financiële markten en de problemen van de stromen vluchtelingen uit Noord-Afrika. Bij al deze kwesties zijn er tot nu toe wel intentieverklaringen afgegeven, maar onvoldoende concrete stappen gezet, bijvoorbeeld een 'haircut' voor noodlijdende lidstaten, een krachtige financiële toezichthouder of een gemeenschappelijk immigratiebeleid inclusief de opzet van een efficiënte grensbewaking.

Hoe impopulair het ook klinkt om openlijk te stellen: om te zorgen dat de EU deze optie kan verwezenlijken, is het noodzakelijk dat er opnieuw competenties worden overgedragen aan gemeenschappelijke instanties, staan we voor nieuwe democratische uitdagingen en een aantal pijnlijke maatregelen voor individuele lidstaten. En anders moeten de 27 lidstaten hun constructie inderdaad maar opheffen. Dat laatste zou wel passen bij de heersende stemming.

Toch moeten we er allemaal goed van doordrongen zijn dat deze ontvlechting zich niet alleen zou beperken tot de gewenste terreinen en dat we de kroonjuwelen zouden kunnen behouden. We zouden nog wel over het einde van de vrijheid van verkeer van personen heen kunnen stappen. Deelname aan een verbond van harde valuta rond Duitsland zou al pijnlijker effecten hebben op de Oostenrijkse exportsector en het toerisme. Op enig moment zou echter ook de Europese interne markt ter discussie komen te staan.

Zodra de EU naar opheffing gaat neigen, gaan Franse autoproducenten of Oostenrijkse boeren invoerbeperkingen voor producten van buitenlandse concurrenten eisen en zij krijgen daarin op enig moment, als er verkiezingen in aantocht zijn, hun zin. De gemeenschappelijke markt zou, als drijfveer voor economische groei, door het opheffen van de euro en de terugkeer naar nationaal protectionisme echter zwaar beschadigd raken. Er zou een drang naar hernationalisatie ontstaan, die steeds nieuwe impulsen zou geven aan afbakening en afsluiting. Is dat echt wat we willen?