Het was in de winter van 1999. Het voormalige Joegoslavië lag in ontreddering uiteen. De vriendelijke Donau-stad Novi Sad was keer op keer door de geallieerden gebombardeerd, de bruggen lagen in flarden in de rivier. De stedelingen stonden aan de besneeuwde oevers, in verbijstering. Over de oorlog, over hun verwoeste wereld, over het ondenkbare dat ze zichzelf hadden aangedaan. Ik ging op bezoek bij de oude Aleksander Tišma, een van de grootste Joegoslavische schrijvers. Hij woonde daar vlak om de hoek, hij is nu overleden.

Toen ik hem vroeg hoe hij zich voelde, in dit verloren land, vertelde hij me een verhaal over zijn hond, Jackie. Op een winterdag was het beest weggelopen, langs de Donau, en op een of andere manier was het dier op een ijsschots beland. Kinderen uit de buurt waren hem komen halen: "Mijnheer Tišma, uw hond verdrinkt!" Hij rende erheen, riep de hond keer op keer bij de naam, maar hij bleef maar op die schots zitten, als verstijfd. Het dier verkeerde in een complete shock. Uiteindelijk wist een van de kinderen hem bij zijn nekvel te pakken.

"Zo is het op dit moment ook met ons", zei Tišma. "We zitten als verstijfd op een ijsschots, we weten niet wat te doen, en ondertussen zeilen we weg op de stroom."

Het democratische tekort groeit maar door

We leven in historische tijden. We krabbelen langzaam weer uit een gemene en vooral gevaarlijke economische crisis. Binnen de Arabische wereld zijn volksbewegingen op gang gekomen die wel eens net zo'n plek in de geschiedenis kunnen gaan innemen als de Europese revoluties van 1848 en 1989. Waar deze democratische omwentelingen ook in uitmonden, ze vormen de grootste uitdaging voor de Europese buitenlandse politiek sinds de val van de Muur. Achter de schermen vreet ondertussen de eurocrisis door als een veenbrand.

De Europese bestuurders en instituties kunnen, zeker nu, niet functioneren zonder een stevige steun, uitgesproken en onuitgesproken, van de kiezers. In veel landen wordt echter, onder druk van de crisis, het Europese project juist steeds vaker aangevallen. En die aanvallen raken doel, juist omdat de Europese democratie nog steeds zo zwak is.

Als echter één Europees probleem nog groter is dan de euro, dan is dat het Europese democratische tekort. Dat staat pal voor onze neus, dat groeit maar door, en dat kan het einde betekenen van al onze dromen.

Een gemakzuchtig dier dat nooit zal gaan draven

Toch geloof ik eerlijk gezegd niet dat het publiek zich heeft gekeerd tegen het Europese project in het algemeen. Het is wel zo dat veel mensen zo langzamerhand enorme problemen hebben met de weg die dat project is ingeslagen. Het enige wat ze willen, is dat de politiek, ook de Europese politiek, zich weer organiseert rond de realiteiten van hun dagelijkse bestaan. Ze willen hun wereld weer enigszins in de hand hebben.

De European Council on Foreign Relations heeft het huidige Europa wel eens vergeleken met de enorme groeneters die in de prehistorie de wereld bevolkten: gigantisch in alles, maar zonder enige agressie. Laten we ons geen illusies maken: Europa is inderdaad, als het gaat om ambities op wereldniveau, een gemakzuchtig dier dat nooit zal gaan draven en nooit op het wereldtoneel een rol van betekenis zal spelen als het zo nu en dan niet van buitenaf de sporen krijgt, of een klap op de billen. Tegelijkertijd is de huidige wereldorde niet meer stabiel en vredig genoeg om Europa eenvoudigweg Europa te laten zijn.

Een Europese discussies binnen de nationale arena

Europa moet dus sterk worden. Dat is in de eerste plaats in het belang van Europa zelf. Er ontstaat een nieuwe wereld van China, de Verenigde Staten, Japan, India, wellicht Brazilië. Als de Europese Unie daarin niet wordt erkend als een volwaardige medespeler zal het een prooi worden voor de andere machten. In plaats van een baken van hoop, een voorbeeld van internationale orde, wordt het een vacuüm, een voortdurend oplaaiend strijdtoneel tussen staten en vooral ook niet-staten.

Dat betekent dat we Europa moeten politiseren. Nu echt politiseren. En daar horen ook protestpartijen bij. We moeten het ontrukken aan de instituties, we moeten het beminnen en haten, we moeten ons er volop ingooien. Willen we de Europese gedachte redden, dan gaat het niet alleen om de financiële of de institutionele eenheid. Daarvoor is ook een diepgaand politiek en cultureel reveil nodig. Er moet op Europees niveau een nieuwe, publieke eenheid geschapen worden, zoals dat in veel landen tijdens de negentiende eeuw op nationaal niveau is gebeurd. Daarin ligt de grootste achterstand van de Unie, dat moet de hoogste prioriteit krijgen, zonder die publieke eenheid kunnen we de rest vergeten.

Wat van groot belang is, is om, veel meer dan voorheen, die Europese discussies ook binnen de nationale arena te voeren. Daarin voelen de kiezers zich het meest thuis. En vervolgens kunnen dan telkens weer nieuwe lijnen worden getrokken naar de Europese politieke arena. De Europese democratisering heeft daarin, ondanks alle goede bedoelingen, tot nu toe gefaald. Het heeft, eerder nog, een almaar grotere kloof geschapen tussen de nationale politiek en de Europese politiek. Met name op de nationale politici, die de afgelopen decennia maar al te gemakkelijk Europese successen claimden voor zichzelf en nationale pijnpunten afschoven op Europa, met name op hen rust wat dit betreft een grote verantwoordelijkheid. Maar ook op ons, hun kiezers.

Van die ijsschots moeten we af

Nog even, misschien een jaar of twintig, hebben we in het Westen respijt om onze instituties aan te passen aan de 21ste eeuw. Nog éénmaal hebben we de mogelijkheid tot een Europees reveil, de kans om de Europese Unie te verdiepen en te democratiseren, om onze kwaliteit van bestaan te herijken, om het Europese project nieuw leven in te blazen. Nog even hebben we gelegenheid om onze oude zelfbeelden te herzien. Gemakzucht is nu onze grootste vijand. Niets is meer vanzelfsprekend, maar van die ijsschots moeten we af. Er is zo veel bereikt. Er valt zo veel te verliezen.

Dit is de conclusie van de State of the European Union, uitgesproken voor het Vlaams Parlement op 5 mei 2011, waarvan op 8 juni een ingekorte versie werd gepubliceerd in De Groene Amsterdammer.