Blonde, zomers kortgerokte meisjes slenteren elegant voorbij. Jongemannen doen extra hun best om in de smaak te vallen. Ouderen flaneren met een tijdloze elegantie. In café’s, restaurants en hotels doet niemand voor hen onder. Eindeloze stromen toeristen trekken langs drieduizend jaar oude culturele bezienswaardigheden, van het Vaticaan naar de keizerlijke forums, van het Pantheon naar de Piazza di Spagna en de Piazza Navona, het vroegere stadion van Domitianus.

Hoe weinig lijkt dit Italië nog op het land waar ik in 1950 voor de eerste keer kwam. Ik was 22 jaar, de Tweede Wereldoorlog was nog geen vijf jaar eerder geëindigd en dictator Benito Mussolini (Il Duce) was door de partizanen geëxecuteerd en ondersteboven opgehangen op de Piazzale Loreto in Milaan, naast zijn maîtresse, Claretta Petacci, wier rok door een vrome vrouw om haar dijbenen was geslagen. Kinderen liepen blootsvoets te bedelen. Bedelaars bezetten strategische punten in de stad, bij stations en restaurants.

1950 werd in Italië uitgeroepen tot jubeljaar

Men ging naar musea, omdat die verwarmd waren en hotels niet. Wie de trein nam, reisde nooit eerste of tweede klas. De derde klas was daarentegen overvol met reizigers die hun koffers met koorden dichtbonden, hoewel ze niet gekleed waren als arbeiders maar als degenen die ze in werkelijkheid waren: vertegenwoordigers van een verarmde middenklasse.

Arbeiders sloten zich aan bij de Italiaanse Communistische Partij en zongen “Wie niet werkt, zal niet eten. Leve het communisme en de vrijheid”. De gegoede burgerij plaatste zich onder bescherming van de Amerikanen. Paus Pius XII, Eugenio Pacelli, waste de verdenking van collaboratie met de nazi’s weg door zich tegen het communisme te keren en het jaar 1950 uit te roepen tot jubeljaar. In Italiaanse steden gingen communistische burgemeesters gemoedelijk om met kapitalistische ondernemers, zonder wie de economische ontwikkeling in die tijd ondenkbaar was geweest.

Het ontbreekt Berlusconi aan politiek talent

Sindsdien wonen rijke, machtige burgers, een vergrijsde arbeidersklasse, beoefenaars van nieuwe beroepen daar waar de vakbonden terrein hebben verloren, en ongeruste en opstandige jongeren samen onder een centrum-linkse of centrum-rechtse regering wier ideologische basis ver te zoeken is. Het lijkt haast wel alsof de Italiaanse politiek nog slechts een overgangsrite vormt naar de werkelijke economische realiteit van het land.

In wie herkennen de Italianen zichzelf nog? De beste linkse politici hebben geen duurzame politieke bondgenootschappen tot stand weten te brengen, al hebben ze dat keer op keer onder steeds weer andere benamingen geprobeerd. Rechts daarentegen heeft een onbehouwen, berekenende clown naar voren geschoven, die wettelijke bescherming geniet tegen rechtszaken die hij niet langer zal kunnen ontlopen zodra hij op een dag de macht kwijt is.

Is die dag, de laatste van Silvio Berlusconi, niet ver meer? Het raderwerk van de Italiaanse regering knarst en piept, zoals Giulio Tremonti, minister van Economie, aantoonde bij afwezigheid van Berlusconi, die bleek te zijn verdwenen midden in een crisis die door de Italiaanse president, de socialist Giorgio Napolitano, werd bezworen met precies datgene waaraan het Berlusconi ontbreekt, namelijk politiek talent.

Italië is een Europese crisis

Het interessantste aan deze zaak is dat Tremonti, minister van Economie, Draghi, toekomstig president van de Europese Centrale Bank, Napolitano, president van Italië, en stilzwijgend grote groepen postcommunistische linkse politici en postberlusconiaanse rechtse politici eensgezind hebben gewaarschuwd voor een nationale crisis, die zowel door Tremonti als door Draghi op het conto wordt geschreven van een Europese crisis, waarvan Italië volgens hen per definitie slachtoffer is en geen oorzaak.

Dat het hier om een Europese crisis gaat, is ook het belangrijkste argument van de voormalige ‘chancellor of the Exchequer’ (minister van Financiën) en voormalig minister-president Gordon Brown in een artikel dat internationaal veel bijval heeft gekregen.

Waarom is Europa in slaap gevallen?” vraagt Gordon Brown zich af en hij stelt die vraag ook aan ons. Gebrek aan kapitaal, werkloosheid, tanende groei: alles wees op een crisis. Een Europese crisis, niet alleen een crisis in afzonderlijke landen als Ierland, Portugal, Griekenland en zelfs Italië en Spanje. Een paneuropese crisis, en zolang we dat niet willen zien, zal elke oplossing ontoereikend blijken te zijn.

Volgens Brown gaat het om een Europese crisis waarin een aantal aspecten naar voren komen. De Europese bankensector is zich er onvoldoende van bewust geweest niet alleen een Europese bankensector te zijn en al helemaal geen nationale bankensector, maar deel uit te maken van een mondiaal systeem. De problemen kunnen niet worden opgelost door kredieten te blokkeren, betoogt Brown, want het gaat om solvabiliteit en insolvabiliteit, niet om liquiditeit.

Europa hoeft niet te vervallen, maar moet zich wel aanpassen

De problemen kunnen evenmin afzonderlijk worden opgelost. Brown pleit voor een ‘paneuropees’ beleid waarin ‘paniekreacties’ worden vervangen door een politiek van herstructurering op lange termijn. Anders gaat Europa een periode tegemoet van sociale ontevredenheid, xenofobie en politieke ‘afscheidingsbewegingen’. Gordon Brown stelt voor om gemeenschappelijke problemen ook als zodanig aan te pakken en niet als ‘lokale’ problemen die de rest van Europa niet aangaan.

Ik herinner me het in verval geraakte Europa van de jaren 50. Er is geen enkele reden waarom het nu zou afglijden naar de dramatische situatie van na de oorlog. Zeker is echter wel dat Europa zich zal moeten aanpassen aan een nieuwe wereld van opkomende economieën, vandaag in Azië en Latijns-Amerika, morgen wellicht in Afrika. De oude glorie maar ook de armoede van vroeger zijn voorgoed verleden tijd. Europa zal zich moeten aanpassen aan de pluriforme wereld die aan het ontstaan is en waarin het nooit meer een centrale plaats zal innemen.