Een groeiend aantal Duitsers is trots op hun eigen identiteit en hun erkenning in de wereld. Ze hebben een beheerste vorm van zelfbewustzijn ontwikkeld die mijlen ver afstaat van het strijdlustige nationalisme van weleer.

Het maakt niet uit of de gewone Duitser te weinig of te vaak lacht, zijn gasten een te slappe of juist te krachtige handdruk geeft, of hij jammert of jubelt, op eten bespaart of teveel bier drinkt, te snel (jongeman) of te langzaam (oudere dame) autorijdt, één ding weet hij of zij zeker: er is altijd wel één of andere betweterige tijdgenoot die hem mopperend laat weten dat zijn gedrag ‘typisch Duits’ is.

De ironie daarvan is dat deze betweter zelf een typische Duitser is. Uit zijn krampachtige pogingen zich te onderscheiden van de doorsnee van zijn snode volksstam blijkt des te duidelijker dat hij daar zelf ook actief lid van is.

Thomas Mann heeft de collectieve “hang naar zelfkritiek, vaak leidend tot afkeer of zelfs vervloeking van jezelf” ‘echt Duits’ genoemd en daaruit ook de overdrijving in het andere uiterste, ‘de gedachte aan wereldheerschappij’ afgeleid.

De bijna wekelijks gehouden enquêtes, waarin wordt gevraagd naar de Duitse gemoedstoestand en waarbij met name na de hereniging het onderzoek naar het nieuwe nationaliteitsbesef zeer populair was, geven een duidelijk niveau weer van de mate aan Duitse zelfhaat.

`Vorige week verscheen een tamelijk ambitieuze versie van dit soort onderzoek, waaraan drie jaar lang was gewerkt. De nogal kitscherige titel luidde: “Duits-zijn – Een nieuwe gevoel van trots op het volk in overeenstemming met het hart”. En als ondertitel: “De identiteit van de Duitsers”. De voornaamste resultaten van het onderzoek, waarvoor circa 2.000 Duitsers vanaf 14 jaar niet eerder zo gedegen en gedifferentieerd werden ondervraagd, mogen wel verrassend worden genoemd: bijna 60% van de ondervraagden is het eens met de uitspraak “Ik ben er trots op Duitser te zijn”. Nog meer mensen (69%) wijzen het idee af dat Europa of de Verenigde Naties belangrijker zouden zijn dan hun eigen land. 78% van de mensen zou, als ze zelf hun nationaliteit zouden mogen kiezen, met “grote tot zeer grote zekerheid” de Duitse nationaliteit kiezen.

Volgens de opstellers van het onderzoek lijken de Duitsers, 60 jaar na de oprichting van de Bondsrepubliek Duitsland, met het oog op de verwerking van hun historische schuldgevoel nu langzaam maar zeker weer wat meer lucht te krijgen. Dat betekent niet dat het verleden wordt verdrongen. De normaliteit die kanselier Gerhard Schröder (SPD) in zijn ambtsperiode al voor Duitsland opeiste hoeft mensen geen schrik aan te jagen.

Deze nieuwe houding was duidelijk af te lezen aan de Duitse reacties toen de Beierse kardinaal Joseph Ratzinger in 2005 tot paus werd benoemd: de geniale kop in dagblad BildWij zijn paus koppelde immers een gevoel van trots aan zelfspot. Dat was weliswaar op zijn plaats, maar sloeg tegelijkertijd ook expres vrolijk de plank mis. De gastvrije, vrolijke Duitsers die een jaar later bij de wereldkampioenschappen voetbal zelfs tevreden waren met de derde plaats van het eigen nationale elftal bevestigden het beeld: er was een nieuw‚ ‘wij-gevoel’ geboren, maar dan wel als straatfeestje, niet als straatgevecht.

De krachtige motieven waarmee Duitsers zich vereenzelvigen met de eigen nationaliteit zijn op zich onschuldig en niet belast door het verleden, maar grenzen soms wel aan het belachelijke. Eén op de twee Duitsers is trots op de Duitse uitvindergeest en van mening dat Duitsers de “beste knutselaars en uitvinders van de wereld” zijn, die “uit alles wel iets kunnen maken”. 91% van de Duitsers heeft veel waardering voor het eigen plichtsbewustzijn en de eigen prestatiegerichtheid en een bijna even groot percentage gelooft dat de voorliefde voor regionale oude gebruiken en voor orde typisch Duits zijn. Voor de meeste Duitsers lijken de prestaties van hun ingenieurs, economische bestuurders, ambachtslieden en zelfs sporters belangrijker dan het werk van mensen als Goethe, Bismarck of Adenauer.

Vandaag de dag zijn Duitsers absoluut weer vaderlandslievend, maar dan wel beheerst, pragmatisch, federalistisch, regionaal, individualistisch en tegenstrijdig.

In zijn opmerkelijke nieuwe boek, Die Deutschen und ihre Mythen (‘Duitsers en hun Mythen’), schrijft de Berlijnse politicoloog Herfried Münkler dat de Bondsrepubliek een “zone, grotendeels vrij van mythen” is,een land zonder politieke “grote verhalen” in tegenstelling tot Frankrijk, dat de revolutie van 1789 heeft. Dergelijke ‘grote verhalen’ zijn belangrijk voor de "vorming van een wij-gevoel" en voor de nationale identiteit.

De val van de Muur in 1989 bevatte alle kenmerken voor de vorming van een mythe. Toch kwam daar maar weinig van terecht, omdat de vrijheidslievende helden van dit grote verhaal slechts uit een deel van het land stamden: Oost-Duitsland.