Knock-out, en vrijwel geen kracht meer om nog nieuwe klappen op te vangen. In die staat gaat de Spaanse economie het laatste traject in van de regeringstermijn van José Luis Rodríguez Zapatero. De socialistische leider probeert al maanden een radicale verandering in zijn economische beleid door te voeren, in de hoop de crisis te kunnen keren.

Maar de cijfers zijn halsstarrig en tonen – in het beste geval – aan dat de resultaten van deze hervormingsdrang nog wel even op zich laten wachten. Dat de verandering niet merkbaar zal zijn in deze regeringssperiode. Krap drie uur voordat Zapatero aankondigde dat er vervroegde verkiezingen zouden worden gehouden [die gepland staan voor 20 november], kwam er een cijfer naar buiten waarmee alles gezegd is: 4,8 miljoen werklozen.

Na de hemel de duikeling

De Spaanse economie bood de regering-Zapatero in eerste instantie uitzicht op de hemel, waarna een duikeling werd gemaakt naar de hel van de ergste recessie die Spanje sinds de burgeroorlog heeft meegemaakt. Vlak voor de verkiezingen van 2008 kon de socialistische leider bogen op het laagste werkloosheidspercentage sinds het einde van het Francoregime (8 procent eind 2007), een overschot op de betalingsbalans en een sterke, stabiele groei, die Spanje een plek opleverde in de ‘Champions League’ van de wereldeconomie.

Met een inkomen per inwoner dat hoger lag dan in Italië, was toenadering tot Frankrijk en Duitsland, de Europese zwaargewichten, niet langer een droombeeld voor Zapatero. Deze idyllische visie van de Spaanse economie hield echter geen hele regeringsperiode stand. Het mondiale financiële debacle scheurde de illusie aan flarden.

En toen de vloedgolf van de krach van 2008 zich terugtrok, vertoonde Spanje een heel ander beeld: dat van een land waar de werkloosheid het snelst toenam, een land dat de grootste moeite had om de recessie te boven te komen, en een van de landen dat zijn overheidstekort het snelst en spectaculairst zag toenemen...

Terwijl het wereldje van Angelsaksische deskundigen (analisten, speculanten, de gespecialiseerde pers), dat een sturende invloed heeft op de markten, eerst nog hoog opgaf van het 'Spaanse wirtschaftswunder', haastte het zich vervolgens om Spanje onder te brengen in de zwijnenstal van de PIGS-landen.

Gemiste kans voor Zapatero

Het feit dat de internationale crisis zulke enorme gevolgen had in Spanje, dwong ons om de vette jaren op een andere manier te bezien. De economie had zich jarenlang laten leiden door de speculatiebubbel van de financiële en onroerendgoedmarkten. De regering van Aznar, allereerst, en vervolgens de regering van Zapatero, hadden het belang van deze zeepbel niet onderkend.

Bijna niemand had kunnen voorzien dat de ´giftige´ leningen van de Verenigde Staten tot de ergste financiële crisis sinds de Grote Depressie zouden leiden. En toen de middelen uitgeput raakten, spatte deze zeepbel, die niemand zag, uit elkaar. Na dit vuurwerk kwam er een economie tevoorschijn die gekenmerkt werd door een hoge schuldenlast van huishoudens en ondernemingen, op het slechtst denkbare moment.

Achteraf gezien lijkt zijn eerste termijn een gemiste kans te zijn voor Zapatero, ook al lieten de cijfers in die tijd een heel ander beeld zien: de socialistische regering sloot haar ogen voor verontrustende tendensen, zoals de lage productiviteit van het land of de explosief stijgende schuld aan het buitenland, en zij heeft weliswaar een paar aanpassingen doorgevoerd in het economische model dat de rechtse Partido Popular (PP) had nagelaten, maar heeft bepaalde maatregelen daaruit, zoals de belastingverlaging, niet verder uitgediept.

Het financiële debacle van 2008 bracht Zapatero in een staat van verbijstering die hij maar heel moeilijk te boven kwam. Maandenlang ontkende hij dat er sprake was van een crisis, vervolgens ging hij de crisis relativeren, en pas toen de markten en de EU uiting gaven aan hun toenemende bezorgdheid over de nabije toekomst van Spanje, maakte de regeringsleider een omstreden ommezwaai.

Een radicale metamorfose

Het was een radicale metamorfose. Van de sociale geneigdheid uit de eerste regeringstermijn en de keynesiaanse aanpak die in het begin van de crisis werd gehanteerd, werd abrupt overgestapt op snijden in de begroting en korten op de uitgaven. Zapatero maakte zijn ommezwaai na het weekend van 9 mei 2010, toen de markten en de Europese partners een radicale koerswijziging van hem eisten.

Duitsland vroeg Spanje om drastisch te gaan bezuinigen: maar liefst 35 miljard euro. Uiteindelijk werden het er 15 miljard, dankzij het verlagen van de ambtenarensalarissen, het bevriezen van de pensioenen, het verminderen van de overheidsuitgaven en het doorvoeren van hervormingen, een weg die Zapatero met een boetvaardig gezicht insloeg, in de trant van 'wat het ook kost, en wat het mij ook moge kosten'.

Zapatero neigt alweer naar overdreven optimisme

De hervorming van de arbeidsmarkt en van de pensioenen versterkt het idee dat de regering-Zapatero in mei 2010 een copernicaanse wending heeft gemaakt. In werkelijkheid heeft de regering, vanaf dat moment, nauwelijks meer gedaan dan de wond te stelpen, en telkens wanneer de markten de financieringskosten voor de overheden, ondernemingen en huishoudens verhogen, dreigen de hechtingen los te laten.

De aankondiging van vervroegde verkiezingen was een gelegenheid bij uitstek om de economische erfenis die Zapatero aan zijn opvolger nalaat, eens onder de loep te nemen. En hoewel de Spaanse regeringsleider de balans kan opmaken van de slechtste economische periode uit onze recente geschiedenis, neigt hij alweer naar overdreven optimisme.

Hij verwelkomde de werkloosheidscijfers van het tweede kwartaal als een indicatie voor een "zekere trendwijziging", terwijl deze verbetering enkel te danken is aan seizoensfactoren, aan het vakantieseizoen. Als je deze niet zou meerekenen, dan zou de werkloosheid opnieuw toegenomen zijn.