Wij vragen moslims nu al ten minste tien jaar – sinds de tragedie van 11 september 2001 – om serieus werk te gaan maken van het invoeren van democratie en het afwijzen van geweld. De strijd tegen het terrorisme en vóór democratie lagen ten grondslag aan de oorlog in Irak. Sinds enkele maanden is de moslimwereld dan eindelijk in beroering gekomen. Zij snakt naar vrijheid.

We zien dat de jonge generaties in opstand komen, en dat zij andere groepen van de bevolking in hun kielzog meenemen. De kinderen van de mondialisering hebben de angst overwonnen die de hele maatschappij lam legde. In Tunesië en Egypte zijn despoten die al decennialang de dienst uitmaakten, van de troon gestoten.

Het is moeilijk te voorspellen wat de toekomst de ‘Arabische lente’ zal brengen en wat de impact hiervan op de politiek zal zijn. Toch staren teveel westerse waarnemers zich blind op de vraag of deze omwenteling islamisten al dan niet in de kaart zal spelen. Dit geeft weer dat het aan vertrouwen in dit democratische project ontbreekt. Bovendien wijst het op de vele angstgevoelens die er heersen.

De Arabische dictators hebben de islamisten de hand boven het hoofd gehouden om hun legitimiteit te waarborgen. Maar de uitdrukking ‘islamisme’ is voortaan gemeengoed. We moeten een onderscheid maken tussen verschillende groepen moslims, omdat onder deze term zowel democraten en conservatieven als extremisten en terroristen worden geschaard… In Turkije, een land dat het op één na grootste leger van de NAVO heeft, trekt een islamistische partij aan de touwtjes.

Jullie stilte maakt ons dood

Uit de geringe interesse die Europa voor de Arabische revoluties heeft, komt naar voren dat ons maatschappelijke middenveld geen druk wil uitoefenen op de Arabische democratische beweging. Op een bord van Syrische betogers viel te lezen: “Jullie stilte maakt ons dood”. Die boodschap was aan het westen gericht.In het geval van Syrië laten de westerse landen een grote apathie zien. Dat is niet alleen een gevolg van de oorlog in Libië en de economische crisis.

Wat de familie Assad betreft heeft het westen altijd de andere kant op gekeken. Kijk maar naar de gebeurtenissen in Hama. In 1982 liet de toenmalige president van Syrië Hafiz al-Assad in deze stad zo’n 20.000 burgers (onder leiding van de Moslimbroederschap) afslachten. Het bloedbad vond in de grootste stilte plaats. Realisme [in tegenstelling tot idealisme, red.] zegevierde ten aanzien van een ‘progressief’ regime dat in staat was om een slim internationaal beleid te voeren, onder bescherming van de Sovjet-paraplu.

In datzelfde jaar brachten christelijke milities uit Libië (met medewerking van het Israëlische leger) duizend Palestijnen om in de vluchtelingenkampen van Sabra en Chatila. Door deze affaire werd, met name de linkse, publieke opinie wakker geschud. Ik weet nog goed dat ik deze kampen bezocht en met mijn eigen ogen de verschrikkelijke verwoestingen vaststelde. De reacties met betrekking tot beide slachtpartijen liepen dus zeer uiteen.

Na 1989 gaf Syrië, dat nog steeds werd bestuurd door de alawitische minderheid, garanties af tegen islamisten. Het regime staat niet volledig op zichzelf binnen het land, maar geniet zelfs een zekere consensus. “De alawieten zijn aan de macht, maar vertegenwoordigen een garantie voor de minderheden”, verzekerde een Syrische invloedrijke christen mij. Dat is wat de christenen, de druzen en de Koerden denken.

We mogen de reactie van de sjiitische wereld niet onderschatten

De consensus is in het bijzonder zichtbaar in Alep, het vaderland van de minderheden, waar duizenden Koerden en 300.000 christenen leven. Het blijft rustig in deze stad, terwijl in de rest van het land de vlam in de pan is geslagen. De soennitische burgerij had het met de alawieten op een akkoord gegooid. Maar wat zal zij doen, nu de protesten deel uitmaken van de soennitische meerderheid zelf?

We mogen de reactie van de sjiitische wereld (Iran, Irak en Libanon), voor wie Syrië een belangrijke partner blijft, niet onderschatten. Teheran riskeert een bondgenoot te verliezen, want beide landen zijn zowel op religieus als op politiek vlak verwant, wat een uitvloeisel is van de banden tussen Syrië en de Libanese milities van Hezbollah.

De aan de macht zijnde alawieten willen hun politieke monopolie niet kwijtraken en een afrekening riskeren. Om die reden denken zij dat er geen andere oplossingen zijn dan terreur. Ze schieten op hun volk, dat voor het overgrote deel soennitisch is. In Egypte heeft Hosni Moebarak niet op zijn volk geschoten en zijn aanhangers begrepen dat zijn tijd erop zat.

Verschillende criteria om de werkelijkheid te interpreteren

Rekenen de Syriërs op de besluiteloosheid van de westerse landen? Er is sprake van een grote onverschilligheid in het Europese maatschappelijke middenveld dat tegenwoordig zijn schouders ophaalt over ernstige problemen die zich buiten de nationale grenzen voordoen. Het is waar dat het Westen niet overal de politieagent van de mensenrechten kan spelen.

Maar Syrië staat dicht bij Europa en Israël. Deze nabijheid creëert verantwoordelijkheden. Tussen een militaire interventie (zoals in Libië) en onverschilligheid bestaat er nog een heel scala aan mogelijkheden om onze verantwoordelijkheid te nemen: druk uitoefenen, contacten leggen, oplossingen zoeken, grote internationale actoren betrekken, enzovoort.

Op dit moment zien we niet hoe we uit de polarisatie in Syrië kunnen komen, waar een beweging is ontstaan van mensen die bereid zijn om hun leven te geven voor vrijheid die lijnrecht tegenover de gevestigde macht staan, die verstijfd is van angst, geen toekomst heeft en naar het middel van de onderdrukking grijpt. We moeten overgangsscenario's opstellen en – via een aantal gepaste besluiten – duidelijk maken dat de weg van de terreur onaanvaardbaar is.

Na een decennium van internationaal beleid dat door het islamistische vraagstuk werd beheerst, staken nieuwe problemen de kop op, maar er deden zich ook nieuwe mogelijkheden voor. We hebben verschillende criteria nodig om de werkelijkheid te interpreteren. Daarnaast moeten we grotere politieke verantwoordelijkheden nemen. Niet alleen van de kant van de overheden, maar ook van het maatschappelijke middenveld en de politieke mogendheden. Wat er in de Arabische wereld en in het Middellandse Zeegebied gebeurt zal in grotere mate de geopolitieke scenario's van de eenentwintigste eeuw bepalen dan de plaatselijke brandjes.