Ze hebben met elkaar gesproken! Die informatie alleen al zou een geruststelling moeten zijn. Midden in hun zomervakantie zijn de leiders van de belangrijkste westerse regeringen en monetaire instanties, en de leden van de G-7, erin geslaagd een telefoon te vinden. Dat geeft wel aan hoe belangrijk dit moment is. Maar omdat ze het bijna nergens over eens zijn, wachten de politici, eens te meer, de reactie van de financiële markten af om hun houding te bepalen en het zoveelste lapmiddel in elkaar te flansen.

Met de afwaardering van de Amerikaanse kredietwaardigheid wordt echter ook hun eigen beleid afgewaardeerd. Zij betalen nu de prijs voor het feit dat ze tijdens de crisis van 2008 en de val van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers geen enkele adequate maatregel hebben genomen. Uit ideologie, uit incompetentie en uit angst hebben de politieke leiders dit unieke moment om de controle over het losgeslagen financiële systeem weer in handen te nemen, voorbij laten gaan. Door de korte adempauze in 2009-2010 dachten ze dat alles weer, net als eerst, op gang kon komen. Maar door de realiteit te ontkennen, kun je geen beleid opstellen.

Regeringen hebben geen lessen getrokken uit Lehman Brothers

Het systeem, dat van zeepbellen aan elkaar hing, van de ene verkapte crisis naar de andere ging en iedere voeling met de werkelijkheid was kwijtgeraakt, stortte in 2007 in. De verwarring bereikte zijn hoogtepunt toen Lehman Brothers in september 2008 ten onder ging.

Met spoed stelden de centrale banken alle gewenste liquiditeiten, en nog meer, ter beschikking om een algehele ineenstorting te voorkomen. De regeringen schoten al hun bankinstellingen te hulp en probeerden de economie te redden. Dat de landen zich momenteel in een kritieke situatie bevinden, komt omdat ze hun balans op het spel hebben gezet om de financiële wereld te redden.

Maar de regeringen hebben geen lessen getrokken uit het instorten van Lehman Brothers, of in ieder geval niet de goede. De algemene conclusie – ingefluisterd door de financiële wereld, die daar alle belang bij had – was dat we vooral niet aan de banken moesten komen, omdat de wereld anders failliet zou gaan. Het moreel werd ondergraven.

Permanente chantage door de banken

De banken, die too big to fail waren, kregen het recht om de regeringen permanent te chanteren en om onbeperkt uit de overheidsfinanciën te putten. In naam, uiteraard, van het depositogarantiestelsel ten behoeve van de rekeninghouders, zoals de kleine aandeelhouder de beursmarkt een alibi verschaft, terwijl deze er al lang geen rol meer speelt.

En wat stond er tegenover? Niets. Geen recht van inzage, geen rekenschap en zelfs geen actie. De fameuze aandeelhouders, die voor de risico's moesten opdraaien, zijn op geen enkel moment geraadpleegd. Alleen Groot-Brittannië, dat waarschijnlijk meer inzicht heeft in het financiële systeem, heeft zijn belangrijkste banken genationaliseerd. Frankrijk, daarentegen, heeft zich in deze kwestie tot op het karikaturale af gedragen, door het opstellen van het reddingsplan voor de Franse banken over te laten aan Michel Pébereau, die destijds bestuursvoorzitter was van de bank BNP Paribas.

De Amerikaanse bankautoriteiten hebben er enigszins de bezem door gehaald. Ze hebben de banken verplicht om opnieuw kapitaal op te bouwen. Tientallen bankinstellingen zijn gesloten of werden overgenomen door andere banken. Iets dergelijks was in de eurozone absoluut niet aan de orde. De bankiers wisten wat ze deden. Wij hoefden hun alleen maar de tijd en het geld te geven die nodig waren om hun leven te beteren. De stresstests liepen uit op een lachertje.

Maar zelfs de maatregelen die eind 2008 en begin 2009 tijdens de toppen van de G-20 waren aangekondigd, zijn niet uitgevoerd. Weet u nog wat er toen werd gezegd? "Het is afgelopen met de belastingparadijzen! Het is afgelopen met de ratingkantoren! Het is afgelopen met de speculatie!"

In het hernieuwde antwoord op de crisis is geen uitvlucht mogelijk

De belastingparadijzen floreren als nooit tevoren, na de schijnvertoning, onder dekking van de OESO, die hen weer in het gelid moest brengen. De kredietbeoordelaars, die nu opnieuw de grond in worden geboord na het verlagen van de rating van de Verenigde Staten, zijn geen moment lastiggevallen. Zij zijn nog altijd even onverantwoordelijk. Europa heeft niet eens een eigen ratingbureau opgericht, zoals het had beloofd.

Voor speculatie zijn het nog altijd gouden tijden. Zo is er bijvoorbeeld geen enkele maatregel genomen om naked short selling op staatsschulden te verbieden. Bovendien blijven credit default swaps, het massavernietigingswapen van de obligatiemarkt, een zwart gat: er is geen enkel toezicht op deze transacties. De Europeanen hebben zelfs geen instrument om erachter te komen wat er gebeurt: zij zijn volledig afhankelijk van particuliere Amerikaanse organisaties om ook maar de minste informatie te krijgen.

In het hernieuwde antwoord op de crisis is geen ruimte meer voor uitvluchten. Het systeem is uitgeput geraakt. Maar hoe moet die enorme schuldenberg worden opgelost, die is overgebleven na de ontsporing van het complete monetaire en financiële systeem?

De speculatie de kop indrukken

Om te beginnen is het dringend noodzakelijk dat speculatie de kop wordt ingedrukt. De landen kunnen een dergelijke verwoesting van hun economie niet laten voortduren, onder het mom dat het ongepast zou zijn om aan het vrij verkeer van kapitaal te tornen. Ze hebben wapens, als ze die tenminste willen gebruiken. Die wapens variëren van het verbieden van naked short selling op staatsschulden tot, misschien, tijdelijke kapitaalcontroles en het mobiliseren van de centrale banken.

In tweede instantie moet Europa maatregelen instellen om te voorkomen dat financiers op de staatsschulden van de eurozone schieten als waren het kleiduiven. Opeenvolgende Franse politieke leiders menen hiervoor een wondermiddel te hebben gevonden, namelijk federalisme. Dit kan volgens hen bereikt worden door een versterking van het Europees Financieel Stabiliteitsfonds (EFSF), in afwachting van eurobonds.

Het vervelende is dat Duitsland tegen is. En daarin heeft Berlijn gelijk: want het betekent niets meer en niets minder dan dat de balans van alle landen tezamen, dit keer, opnieuw op het spel wordt gezet om de financiële wereld tevreden te stellen. De échte oplossing is om het statuut van de Europese Centrale Bank te veranderen, die moet accepteren dat zij in laatste instantie als kredietgever voor de eurolanden optreedt.

Vervolgens moeten de ongeregeldheden van het financiële systeem en van de schuldeneconomie beetje bij beetje worden weggewerkt. Het is weliswaar belangrijk om de overheidsfinanciën weer op orde te krijgen en om een rechtvaardig belastingsysteem in te stellen, maar toch kan terugdringing van de begrotingstekorten – het enige beleid waar de regeringen mee schermen – niet het antwoord zijn op de enorme omvang van het probleem. Dit kan alleen maar leiden tot bezuinigingen, tot verpaupering, en uiteindelijk tot allerlei vormen van politiek avonturisme.

Er moet weer een echte basis voor productie worden opgebouwd

De schuldenberg heeft een dusdanige omvang, dat er hoe dan ook meerdere voorzieningen moeten worden getroffen. Op de een of andere manier zal een deel van de schulden moeten worden kwijtgescholden, waardoor opnieuw de kwestie van het onder toezicht stellen van het bankensysteem aan de orde wordt gesteld. Ook zal het teveel aan liquiditeiten dat is gecreëerd, en het daarmee gepaard gaande waardeverlies, moeten worden ondervangen door muntdevaluaties.

Tot slot is het onmogelijk om door te gaan met een dergelijke industriële en commerciële disbalans. De westerse landen kunnen niet alles importeren zonder enige rijkdom te creëren, tegen een achtergrond van massale werkloosheid. Er moet weer een echte basis voor productie worden opgebouwd, die die naam waardig is.

Er zijn dus oplossingen. Maar die liggen heel ver af van de dogma's en de a priori´s van de politieke leiders. Toch zullen zij wel moeten bewegen. Want als ze nog langer dralen en keuzes uitstellen, wat misschien verleidelijk is, dan kan dat weleens op een enorm drama uitlopen.