De oorlog van 1992 tot 1995 heeft aan meer dan honderdduizend mensen het leven gekost en Bosnië-Herzegovina lichamelijk en geestelijk uitgeput. Het bloedvergieten kwam in december 1995 ten einde met de ondertekening van het Dayton-akkoord, dat de naoorlogse organisatie van het land regelde en internationaal toezicht instelde. Om het vredesproces te ondersteunen werden onder auspiciën van de vredesimplementatieraad en het Kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina (OHR) speciale instellingen opgericht.

De Hoge Vertegenwoordiger kreeg vergaande bevoegdheden. Hij kan wetten intrekken en nieuwe wetten opleggen, en er is geen beroepsmogelijkheid tegen zijn beslissingen. Hij kan gekozen politici de wacht aanzeggen, rechters ontslaan en hun uitspraken ongedaan maken. Ja, zo liggen de zaken, zelfs vandaag de dag, zestien jaar na de oorlog. En de grote vraag is: is dit goed of slecht?

In juni 2007 ging de succesvolle Slowaakse diplomaat Miroslav Lajčák de post van Hoge Vertegenwoordiger voor Bosnië-Herzegovina bekleden. Hij zei dat hij vastbesloten was de ruziënde politici van Bosnië te dwingen hun gedrag te verbeteren en het land dichterbij de Europese Unie te brengen. Hij was van plan de orde te herstellen, zelfs als dat betekende dat hij met de vuist op tafel zou moeten slaan. “Ik zal eenvoudigweg niet toestaan dat ze niet tot een akkoord komen”, zei hij.

Politici ruziën door

Vóór Lajčák werd de post in Sarajevo bekleed door de Duitser Christian Schwarz-Schilling, die vrijwel niets deed, niet zozeer uit luiheid, maar meer vanuit de overtuiging dat buitenlandse inmenging in Bosnië meer kwaad dan goed zou doen. Bovendien zou de positie worden opgeheven, zodat Schwarz-Schilling de laatste Hoge Vertegenwoordiger zou zijn.

Maar de situatie verbeterde niet en de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo vertroebelde de atmosfeer en dreigde de regio te destabiliseren. (Die verklaring kwam tenslotte in februari 2008). En dus werd besloten dat de 'Hoge Vertegenwoordiger' zou aanblijven, en dat Lajčák de positie zou krijgen. Een paar zaken vielen toen wel op hun plek. Lajčák heeft het Bosnische parlement bijvoorbeeld zover gekregen om een wet op de hervorming van de politie aan te nemen.

Hij is er ook in geslaagd Bosnië het Stabilisatie- en Associatie-akkoord met de EU te laten ondertekenen, de eerste stap op weg naar een volledig lidmaatschap. Maar er vond geen hervorming van de grondwet plaats en daar is tot nu toe geen vooruitgang mee geboekt. In maart 2009 nam de Oostenrijkse diplomaat Valentin Inzko het over van Lajčák, maar tot nu toe is het hem ook niet gelukt de ruziënde politici tot inkeer te brengen.

Een afgebakend beleid is gewenst

De enige die iets zou kunnen doen is naar mijn mening Paddy Ashdown”, zegt Tija Memiševičová, de 35-jarige analiste die het Europees Onderzoekscentrum in Sarajevo heeft opgericht. De Brit Paddy Ashdown heeft tussen 2002 en 2006 de post van Hoge Vertegenwoordiger bekleed.

Het is simpel. Ashdown was een politicus, geen diplomaat. Bovendien kwam hij uit een land dat lang geleden is opgehouden zich druk te maken over wat iemand uit Duitsland, Frankrijk of Brussel hier- of daarvan vindt. Ik zeg niet dat hij het de hele tijd goed heeft gedaan, maar hij heeft daadwerkelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheden die zijn positie met zich meebracht. Zijn opvolgers turen als diplomaten steeds over hun schouder naar Brussel en zijn uit op consensus. En omdat er geen sprake is van een afgebakend beleid in Brussel kost iedere stap jaren om door te zetten. En dat”, zegt ze, “is de reden dat we nog steeds in moeilijkheden verkeren.

De critici van Ashdown beschuldigen hem ervan zich te hebben gedragen als de koning van Bosnië – ze hebben hem zelfs die bijnaam gegeven. In de huidige omstandigheden denkt Tija echter dat er weinig alternatieven zijn. Ze is ervan overtuigd dat haar land niet de kracht heeft om te ontsnappen aan de mallemolen van conflicten en dat er iemand van buiten moet komen om met zijn vuist op tafel te slaan.

Wie zou dat moeten doen? De Amerikanen, die in de naoorlogse jaren een sleutelrol hebben gespeeld in Bosnië? Niet echt. Voor de Verenigde Staten is Bosnië niet langer een prioriteit, en kan dat ook niet zijn. Ze nemen al het voortouw in de oorlogen in Irak en Afghanistan en lossen liever hun eigen ernstige economische problemen op dan dat ze een klein Balkanland te hulp schieten.

Oplossingen uit Servië en Kroatië

En de Europese Unie? Ja, logischerwijs wel. Vanuit Brussel klinkt de lokroep: “We rekenen op u, Bosnië”. En vanuit Sarajevo komt de echo: “Een toekomst binnen Europa is onze prioriteit”. Uiteraard is het allemaal niet zo eenvoudig. In beide kampen is er sprake van problemen, en ook van een hoop bitterheid. Velen in Bosnië hebben het gevoel dat de Europese Unie niets van betekenis heeft gedaan in hun land en dat ook niet wil.

Ze zijn ook bezorgd dat Rusland, de traditionele bondgenoot van de Serviërs, steeds meer invloed krijgt. Brussel betoogt daarentegen dat Sarajevo niet kan gaan zitten afwachten tot de EU de Bosnische problemen oplost en laakt de Bosnische politici wegens hun gebrek aan wilskracht om hervormingen door te voeren, zich te verzoenen en praktische stappen te zetten.

Is er dan geen oplossing? Ja, die is er wel. De tijd werkt in het voordeel van Bosnië. De bewijzen daarvoor zijn Servië en zelfs Kroatië. Zij kennen uiteraard ook nog steeds problemen, en het nationalisme is nog niet verdwenen. Maar de Serviërs hebben een president die zich heeft verontschuldigd voor de genocide in Srebrenica.

De leider van Kroatië is een kalme, gematigde president, een advocaat en een componist, die openlijk toegeeft dat de Kroaten ook oorlogsmisdaden hebben gepleegd. En belangrijk is dat de meeste Kroaten hem respecteren.

De oorlog was waanzin, en de littekens verdwijnen maar langzaam. Maar de situatie is niet hopeloos.