Net zo min als de jeugd op deze wereld een homogene sociale groep is, is zij een financiële instelling op de rand van een faillissement. Dat is pech, want anders waren er al lang veiligheidsnetten gespannen, en hadden nationale en internationale allianties allang miljarden gestoken in opleiding, werkgelegenheid en de bouw van betaalbare woningen, om zo de toekomst van allen te verzekeren – precies zoals in het 'verdrag' tussen de generaties is voorzien.

Maar door het onvermogen – of de onwil – van de politiek om op deze terreinen van wezenlijk belang een consensus te verwezenlijken, brokkelt een van de steunpilaren van de verzorgingsmaatschappij af, waardoor deze jongeren steeds meer tot toeschouwers worden gereduceerd van een vrolijk, maar duidelijk elitair kapitalisme. Het kapitalisme is echter alleen maar verdraaglijk zolang de mogelijkheid bestaat eraan deel te nemen. Tegelijkertijd verliest het als wispelturige speelbal van de vrije markt zijn aantrekkingskracht, en geldt het als een verouderd model zonder alternatieven. Dat roept bij jonge, nog maar net aan de samenleving deelnemende mensen onzekerheid, scepsis en angst voor de toekomst op. En wie de jeugd het perspectief op een toekomst ontneemt, kan erop wachten dat deze jongeren op een gegeven moment met duizenden voor de deur staan om die kansen op te eisen.

Elementaire eisen

Zulke ervaringen ondergaan op het ogenblik – in wisselende intensiteit – landen als Griekenland, Spanje, Chili, Israël en Groot-Brittannië. Ondanks de uiteenlopende nationale motieven voor de zo nu en dan gewelddadige protesten gaat het toch vooral om elementaire eisen: om de vrije toegang tot onderwijs, werk en woningen.

Met deze eisen, die eigenlijk grondrechten zijn, stuiten jonge mensen vandaag de dag op het bezwaar dat men zich dit niet meer kan – of wil – veroorloven. In veel steden van Groot-Brittannië en Israël zijn een goede opleiding en een baan nog geen garantie dat je je een woning kan permitteren, om nog maar te zwijgen van een school voor de kinderen.

Miljarden om de duivel niet uit zijn humeur te brengen

Tegelijkertijd pompen regeringen miljarden in de markten, louter om de duivel, de Dow Jones, niet uit zijn humeur te brengen, terwijl ze de sociale uitkeringen korten. Dat een dergelijk beleid in landen als Spanje (met zo'n 44 procent jeugdwerkloosheid), Griekenland (38 procent) of Groot-Brittannië (20 procent) als bot cynisme wordt gezien, verbaast slechts de weinige winnaars, die rond theetijd discussiëren over het verschil tussen gefrustreerde en criminele demonstranten, maar zich voor het overige louter om het aanzien van de financiële markten en instellingen bekommeren.

Maar de waardevernietiging op de beurzen stelt niets voor in vergelijking met de afbrokkelende samenhang binnen de maatschappij. Als je zelfs met een zwaar opleidingstraject in overvolle collegezalen nauwelijks nog een kans voor jezelf en je dromen ziet, voldoet Facebook op een gegeven moment niet meer als uitlaatklep. Dan volstaat – zoals in Engeland – een weliswaar tragische, maar in laatste instantie profane aanleiding om alle opgekropte frustraties in de beschutting van de menigte te ontladen. Dan worden mensen met rechtmatige verlangens vandalen en plunderaars. In het klein toont zich zo een kopie van wat de mensen in het groot wordt voorgespiegeld: neem wat je pakken kunt en maak je ermee uit de voeten. Dit zijn de bankiers van de straat.

Alleen de politiek kan deze ontwikkeling keren, niet met nóg meer politie en nóg meer mooie frasen, maar met daden. En wel snel. Of de generatie die nu op straat demonstreert daar nog iets aan zal hebben, is overigens de vraag.