HetENB is erop gericht om betrekkingen met Europese buurlanden te verbeteren, waarbij "in het wederzijdse belang gezamenlijke waarden moeten worden gerespecteerd, namelijk democratie, de rechtsstaat, mensenrechten, goed bestuur, de beginselen van de markteconomie en duurzame ontwikkeling". Ogenschijnlijk respecteert Syrië deze waarden nog niet, aangezien besprekingen over toetreding tot het ENB werden bevroren in 2005. Schendingen van de mensenrechten vinden nog altijd plaats en het heersende regime heeft geen serieuze stappen ondernomen om het land te democratiseren. Tegelijkertijd neemt Syrië geen afstand van chemische wapens. Deze eis is eerder tijdens de besprekingen in 2004 gesteld door het Verenigd Koninkrijk, maar inmiddels ingetrokken.

Voorstanders van een associatieovereenkomst met Syrië voeren aan dat de politieke voordelen op lange termijn voor de EU zwaarder wegen dan de veronachtzaming van deze beginselen. Syrië-deskundige Joshua Landis voert aan dat Amerikaanse sancties en de internationale isolatie niets hebben opgeleverd, zodat een nieuwe benadering moet worden geprobeerd. Met de voorgestelde EU-overeenkomst zou Syrië aansluiting krijgen bij de wereldeconomie en worden ontmoedigd om de kant te kiezen van landen die de wereldorde ondermijnen, met name Iran. Ook de economische voordelen van een dergelijke overeenkomst zouden helpen bij de ontwikkeling van een grotere Syrische middenklasse, waardoor weer een bredere internationale samenwerking zou worden bevorderd, zoals in China is gebeurd.

Mensenrechtenargument doorstaat kritiek niet

Sommige voorstanders gaan verder en voeren aan dat de beginselen helemaal niet in het geding zijn, want met deze overeenkomst kan de interne liberalisering worden ondersteund. Syrische hervormers suggereren dat economische openheid kan leiden tot een groter sociaal liberalisme, zoals is gebeurd in de economieën van de Aziatische tijgers. Dit standpunt wordt duidelijk gedeeld door het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, die beweren dat een clausule in het verdrag een bredere dialoog over kwesties als mensenrechten mogelijk maakt.

Bij nadere bestudering schieten beide voorstellen echter te kort. Het argument van de mensenrechten doorstaat de kritiek niet wanneer we kijken naar de overige leden van het ENB. Diverse buurlanden van Syrië (Jordanië, Israël en Egypte) hebben associatieovereenkomsten met de EU ondertekend tussen 2000 en 2006, maar toch worden mensenrechten daar nog massaal geschonden. Terwijl de economie van enkele Aziatische tijgerlanden intern is geliberaliseerd na de economische opening, heeft China de Arabische landen laten zien dat westerse investeringen helemaal niet afhankelijk hoeven te zijn van mensenrechten of democratisering.

Ook impliceert de analyse van Landis dat Syrië automatisch op grootschalige, positieve economische ontwikkelingen kan rekenen door toe te treden tot het ENB. Toch wordt het land nog altijd verlamd door publieke en particuliere monopolies die volgens economen moeten worden hervormd voordat de economie daadwerkelijk tot ontwikkeling kan komen, met of zonder het ENB. Bovendien groeit de economie van Syrië weliswaar momenteel, maar het land vertoont al tekenen dat de rijkdom onevenredig wordt verdeeld, net zoals in Egypte, waar de ontwikkeling al scheef is sinds de toetreding tot het ENB. De kloof tussen rijk en arm is toegenomen in Egypte, waardoor de instabiliteit onder de arme stedelijke bevolking toeneemt omdat deze niet profiteert van het ENB. In Syrië, waar de kloof tussen rijk en arm ook toeneemt, kan het ENB de situatie juist verslechteren en juist geen stabiele middenklasse bevorderen, zoals Landis voorspelt.

Politieke en economische motieven zegevieren

Dit gezegd zijnde, wijst Landis terecht erop hoe beperkt het westen met een isolatiebeleid invloed heeft kunnen uitoefenen op het gedrag van Syrië in de afgelopen vier jaar. Bovendien zijn de argumenten voor uitsluiting van Syrië zwak. Eerdere gevallen waarbij landen werden toegelaten tot het ENB lijken te wijzen op politieke en economische in plaats van gewetensvolle motieven. Sinds de invoering van dit beleid zijn de toetredingscriteria van Brussel gehuld in tegenstrijdigheden. Syrië werd in 2004 toetreding geweigerd omdat het land niet wilde afzien van massavernietigingswapens, terwijl Israël in 2000 toetrad zonder dat ook maar één woord werd gerept over het geheime kernwapenarsenaal. Zo krijgt ook Egypte nog altijd enorme bedragen aan ontwikkelingsgeld van het ENB, terwijl het land de verplichtingen ten aanzien van mensenrechten, goed bestuur en democratie niet nakomt.

Een verdrag tussen Syrië en de EU zou voor de zoveelste keer laten zien dat het ENB de oprichtingsprincipes minder belangrijk acht dan de politieke prioriteiten van de dag. Europese pogingen om een wig te drijven tussen Syrië en Iran en de invloed van Iran in Libanon tot een minimum te beperken zijn de belangrijkste motieven voor dit verdrag, waarmee goed bestuur, mensenrechten of democratie niet worden bevorderd. Leiders moeten Syrië niet ten voorbeeld stellen voor de manier waarop de EU de hoogstaande beginselen kan bevorderen, maar zouden deze gelegenheid moeten aangrijpen om na te denken over de tekortkomingen van het ENB in de huidige vorm. Hoewel de EU de belangrijkste handelspartner van de landen in het Midden-Oosten is, is de EU er niet in geslaagd om de binnenlandse liberale politieke hervormingen te ondersteunen die zo snel in Oost-Europa zijn overgenomen na 1989. Nu wordt het tijd om te zoeken naar een betere manier waarmee deze economische invloed kan worden omgezet in daden.