De eerste keer kom ik de naam van M. tegen onder een van onze artikelen online. Een collega had een interview met Klaus Kinkel, de laatste minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet van Helmut Kohl. Kinkel looft Europa; hij zegt dat Duitsland moet instaan voor de armere landen van de muntunie. Onder de tekst staan bijna tweehonderd reacties.

Nummer 105 is die van M.: “Dat komt ervan als je opscheppers en luchtbellenblazers op de tent laat passen.” Bedoeld wordt Kinkel. Europa zou voor al die mensen “de deur hebben geopend”, die zich “slechts iets aantrekken van hun eigen banksaldo”. Hoe behandelen degenen “daarboven” degenen “daaronder”? M. schrijft: “Als drek.”

Ik klik op het gebruikersprofiel. De lezers geven zichzelf bijnamen als 'slimme', 'knuppelhard' of 'liegende pers.' M. noemt zichzelf 'jgmischke'. Hij heeft al zo'n vijfhonderd reacties geschreven. Onder een bericht over mogelijke schadeloosstelling door de Europese Commissie van boeren die zijn getroffen door de EHEC-paniek, schrijft hij: “De gezamenlijke eurocratie gaat steeds meer op een zelfbedieningswinkel lijken.” Als je de reacties op de eurocrisis als maatstaf neemt, zou er in Duitsland allang een meerderheid tegen de euro moeten zijn. Vanwaar die verontwaardiging en die woede?

Heel anders voorgesteld

Ik had M. een mailtje geschreven. Of ik hem kon komen opzoeken. Ik wilde graag horen waarom hij zo woedend is, op Europa en op de politiek. Zijn antwoord kwam nog geen twee uur later. Aanvankelijk had hij mijn mail voor spam gehouden, voor een grap. Daarna vond hij mijn voorstel echter heel “eervol”. Hij stuurde mij zijn adres: een klein stadje in Westfalen. Toen wij in zijn Fiat stapten, merkte ik, hoe verbaasd ik was. Ik had mij hem heel anders voorgesteld, misschien wel minder normaal en agressiever in zijn optreden. Wellicht had ik zelfs een werkloze verwacht, iemand met wie het duidelijk slechter ging. Ik schaamde me ervoor.

M., 53 jaar oud, zou mij in de uren daarna zijn leven vertellen, ietwat opgewonden en zonder ironie. Voordat hij uit de stad was vertrokken, had hij in Düsseldorf in de financiële sector gewerkt. Het was een baan geweest, waar M. niet echt van hield. Op een gegeven moment hadden hij en zijn vrouw een tijdschrift gekocht waarin een overzicht werd gegeven van de milieubelasting van alle steden. Düsseldorf kwam er heel slecht uit naar voren, maar het Westfaalse platteland heel goed. “Daarom zijn we hierheen getrokken.”

Voor hem was het een tijd van verandering. Hij werd zelfstandig programmeur. Nadat ze in het huis waren gaan wonen, werden beide kinderen geboren; M. was thuis en was er, “als er op school eens met de vuist op de tafel moest worden geslagen”. Als hij daarover vertelt, klinkt het als een mooie tijd. Intussen was hij als programmeur in dienst getreden van een middelgroot bedrijf.

"Door idioten geregeerd"

Met de politiek heeft M. al een paar jaar gebroken. Destijds had hij zich samen met zijn zoon kandidaat gesteld voor de gemeenteraad. Voor de Groenen. Een hopeloze zaak: het dorp is diepzwart [de kleur van de CDU, red.]. Tientallen jaren lang is de CDU er al de baas. Hij zegt: “Ik word door idioten geregeerd – dat is het probleem.” Als M. over de politiek spreekt, kan hij woedend worden. Hij klinkt dan net zo opgewonden als in zijn reacties op onze artikelen.

Waarom hij zo kwaad is? “De onmacht maakt mij op den duur boos”, aldus M. Hij heeft het gevoel dat hem veel te weinig naar zijn mening wordt gevraagd. “Het is net als in een trein, waarvan de machinist dronken is. Je weet dat er spoedig een ongeluk zal gebeuren. Maar de deuren zitten op slot en je kunt er niet uit.”

Als je M. over Europa hoort spreken, in zijn woonkamer in het landelijke Westfalen, lijkt Brussel heel ver weg. “Die verordeningen over gloeilampen – daar wordt toch helemaal niet over doorgepraat”, zegt hij. De teksten worden volgens hem simpel “opgesteld. En zo is het altijd geweest, eerst met de euro, en nu met Griekenland, Portugal en Ierland.”

Dromen over meer vaklieden in de politiek

M. zegt dat de politici beter gecontroleerd moeten worden. Hij zou zelfs zo ver willen gaan om foute besluiten strafbaar te stellen. Hij droomt over meer vaklieden in de politiek, over 'teams’ die de objectief beste besluiten nemen, en niet de politiek meest opportune. Hoe langer je met M. spreekt, des te meer je gaat begrijpen dat hij überhaupt geen buitenstaander is. Eigenlijk is hij tamelijk mainstream, één van ons. Het gaat niet bijzonder slecht met hem, hij heeft werk, meerdere auto's – zoals de meeste Duitsers.

Moet je medelijden met hem hebben? Hem begrijpen? Hem voorhouden, dat hij het allemaal te eenvoudig voorstelt? Het is niet alleen dat de politiek zich van hem heeft vervreemd, M. heeft zichzelf ook uit de wereld teruggetrokken. Hij delegeert de politiek aan de politici, om ze vervolgens te verachten.

Soms, zegt M. tegen het einde van ons gesprek, gaat hij het dak op en kijkt hij door een telescoop naar de sterren. Dan ziet hij hoe klein onze planeet is en bedenkt hij hoe betrekkelijk heel veel is waar hij zich over opwindt. Op de terugweg blijft een zin van hem in mijn hoofd rondzingen: “Om de wereld te veranderen, ben ik een maatje te klein.”