In het duistere hart van Europa ligt een land dat verrot is tot op het bot. Vermaard als een vrijplaats voor banktegoeden, waar de Noord-Koreaanse leider Kim Jong Il naar verluidt miljarden dollars naar toe zou hebben weggesluisd, is zijn economie met handen en voeten gebonden aan de nukken en grillen van de wispelturige mondiale geldmarkten. De externe schuld per hoofd van de bevolking van het land is 84 maal die van de door schulden geplaagde Verenigde Staten (zo'n 3,31 miljoen euro per man, vrouw of kind).

De democratie is een lachertje, en wordt ondermijnd door het feit dat er sprake is van een erfelijk en niet-gekozen staatshoofd, dat niet alleen het parlement kan ontbinden, maar ook een aantal leden ervan kan benoemen. De burgers vragen zich af hoe duurzaam hun steeds kwetsbaarder wordende landje is. Dit hoeft niet te verrassen, want de bevolking bestaat voor 44 procent uit buitenlanders. Nog eens het equivalent van 25 procent komt dagelijks het land binnen om daar te werken.

Waar bevindt deze 'oksel' van de Europese Unie zich, deze 'kanker van het continent'? In Griekenland? Op de Balkan? Geenszins. Het gaat hier om het Groothertogdom Luxemburg, met een bevolking van 503.000 zielen een kleine vlek op de kaart, tussen België, Frankrijk en Duitsland. Zeker, fietsers en wandelaars kunnen dit pastorale land zien als een groen paradijs, met zijn rollende heuvels en weelderige velden. En bankiers kunnen zich verwonderen over zijn spectaculaire rijkdom: Luxemburg beroemt zich op het hoogste bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking ter wereld, 108.832 dollar in 2010.

We willen blijven wie we zijn

Maar er moet iets mis zijn. De Luxemburgers die op de Happy Planet Indexde op één na laagste plaats innemen (samen met de burgers van het door oorlog en honger geteisterde Soedan) – kopen meer sigaretten en alcohol en veroorzaken een grotere uitstoot van broeikasgassen dan de inwoners van welk ander land ter wereld dan ook. En toch luidt hun nationale motto: “We willen blijven wie we zijn.

Ik móest het weten: Zou dit kleine hertogdom de sleutel kunnen zijn tot de duistere, geheimzinnige krachten die Europa momenteel uiteen scheuren?

Op de wolkenloze zomerdag waarop ik arriveer, lijken de stille, goed onderhouden straten van de Luxemburgse hoofdstad, die op creatieve wijze 'Luxemburg-stad' wordt genoemd, idyllisch genoeg. Het enige moment waarop ik een soort afgrond voel, is als ik van de elegante, stenen Adolfbrug omlaag kijk in de weelderig begroeide, duizelingwekkende kloof die dwars door de stad heen loopt.

Een uit achttien leden bestaand militair orkest speelt Come Fly With Me in het stadscentrum, terwijl goed geklede blanke mensen aan de rand van de charmante oude stad luxueuze warenhuizen in- en uitlopen. In de verte glinstert een rij zakenbanken in de zon, op identieke wijze voorzien van een modern, spiegelend exterieur.

Ik loop een stijlvolle bistro binnen, die pulserende ritmes lekt op de Rue de la Boucherie, de hipste straat in het stadscentrum – het soort plek, zo zegt de ober, waar bankiers samenkomen om in het weekend enorme hoeveelheden drank achterover te slaan. Een fles whisky kost in Luxemburg volgens de achttienjarige ober Panagiotis Meidanis half zoveel als in zijn geboorteland Griekenland, waar de inwoners slechts een fractie van het Luxemburgse inkomen verdienen, zeker nu. “Als we in het weekend 's avonds sluiten, willen ze altijd meer”, zegt Meidanis over zijn klanten. “Maar om een of andere reden gaan ze hier nooit op de vuist.

Een externe schuld van 3,31 miljoen? Daar rept niemand over

Maar wat wist hij er nou van? Ik moest een echte Luxemburger zien te vinden. Dan kom ik Georges Hausemer tegen, die een van de opmerkelijk weinig romans in het inheemse Lëtzebuergesch heeft geschreven. Het uit 1998 daterende boek, Iwwer Waasser ['Boven Water', red.], is het verhaal van een gebroken huwelijk in de banksector, dat de auteur omschrijft als een 'miniatuurportret' van de Luxemburgse samenleving.

Maar als ik hem vraag of hij 's nachts wakker ligt van zijn persoonlijke aandeel in de externe schuld van 3,31 miljoen euro, zegt hij: “Is dat waar? Niemand heeft het daar hier over.” “We zijn een beetje de weg kwijt.” Hij praat over het binnendringen van 'vreemde' talen – de officiële taal is Frans, maar Duits en Engels zijn gebruikelijker in zakenkringen – en culturen. Het eindresultaat is volgens hem een land van handel en banken dat “al het andere is kwijtgeraakt”.

Om de werkelijkheid van het moderne Luxemburg beter te kunnen doorgronden kom ik bij Igor terecht, een keurig geklede bankier van een jaar of dertig, die wel met me wil praten, op voorwaarde dat ik zijn achernaam niet noem, evenmin als de naam van de firma waarvoor hij werkt. Igor vertelt me over de Sturm und Drang die de financiële crisis van 2008 in zijn arme land heeft teweeggebracht.

Hij klaagt dat de plaatselijke vastgoedmarkt beneden zijn topniveau is gebleven en – erger nog – dat de regering als reactie op de financiële crisis een verhoging van de inkomstenbelasting heeft geïntroduceerd. “Hoeveel bedroeg die belastingverhoging dan?” vraag ik, geschrokken. “O, slechts een klein percentage” zegt hij. (Voor topverdieners is het belastingtarief met 1 procent gestegen.)

Ik ging op zoek naar de toekomstige stoottroepen voor verandering

Waarom zou je je zulke ontberingen laten welgevallen? “De kwaliteit van het leven hier”, zegt Igor, als hij in zijn gestroomlijnde, zilveren sportwagen glijdt. “Dat moet het beste zijn wat je kunt krijgen – vooral met alle hulp die de staat ook nog eens biedt.

Maar misschien had ik wel met het verkeerde soort mensen gesproken. Ik moest de ontevreden jongeren van het land zien te vinden, de toekomstige stoottroepen voor verandering. Voordat ik in het groothertogdom arriveerde, had ik contact gelegd met een van de bekendste hedendaagse kunstenaars van het land, de succesvolle jonge filmer Max Jacoby.

Hij bleek in Londen te verblijven. Per e-mail vertelde hij mij zich niet langer te kunnen voorstellen nog in Luxemburg te wonen, omdat hij er “rusteloos van zou worden en na korte tijd weer zou willen vertrekken”. “Aha!” dacht ik. “Hier is de jonge revolutionair in wording, in ballingschap gedwongen wegens zijn creatieve visie!

Jacoby sprak over de slaapverwekkende gemakken van zijn thuisland. Hij beschreef een land waar ervaren leraren jaarlijks een salaris van wel 100.000 dollar kunnen verdienen. “Waarom zou je als behoeftig kunstenaar door het leven gaan”, schreef hij, “als je een goed inkomen kunt verdienen door les te geven in het alfabet?” Ik drong er bij hem op aan de bron van zijn frustaties te onthullen. “Er zijn geen authentieke Chinese restaurants”, klaagde hij, en “geen enkel Koreaans restaurant”.

Kan deze waanzin oneindig lang blijven doorgaan?

Tenslotte begeef ik me rechtstreeks naar het hol van de leeuw. Ik meld me bij Lucien Thiel, het voormalige hoofd van de Association des Banques et Banquiers [bankiersvereniging, red.] en een actief lid van het parlement. Tot mijn verrassing lijkt hij minder op een machtige bankier dan op een vriendelijke Sinterklaas.

Ik wil weten hoe het zover heeft kunnen komen. Kan deze waanzin oneindig lang blijven doorgaan? Hij gebaart me te gaan zitten en vertelt over de wortels van de economische successen van Luxemburg: het is begonnen met staalfabrieken en heeft zich ontwikkeld in de richting van gespecialiseerde bankzaken. Vandaag de dag, zo zegt hij, staat Luxemburg op het gebied van beleggingsfondsen wereldwijd op de tweede plaats, na de Verenigde Staten.

Maar hoe zit het dan met die verlammende schuldenlast? Die vormt volgens Thiel geen enkele bedreiging voor Luxemburg, gezien het feit dat het land eigenlijk niets meer produceert dat ook maar van enig economisch belang is. Ik krab aan mijn hoofd. “Het is niet zo dat we enorm productief zijn, maar we beheren nu eenmaal een enorme hoeveelheid geld. Dat is profijtelijk voor ons”, zegt Thiel met een knipoog.

Maar hij moet zich toch wel ergens zorgen over maken, dring ik aan. Zijn glimlach verdwijnt enigszins. “Ik ben bezorgd dat we zo'n goed leven hebben, dat we het kunnen gaan zien als een geschenk Gods en té gemakzuchtig worden. Vraag mensen wat zij willen blijven en ze zullen antwoorden: Zo rijk als we nu zijn", aldus Thiel.