Het Duitse Europabeleid staat voor een verandering die net zo ingrijpend is als die van de Duitse Ostpolitik – de verbetering van de relaties met het Sovjetblok – begin jaren 70. Terwijl dat beleid toen werd gekarakteriseerd door de slogan “Verandering door toenadering”, zou de nieuwe aanpak van Berlijn nu “Meer gerechtigheid door meer Europa” moeten heten.

Het gaat in beide gevallen om het overwinnen van een breuk, destijds die tussen oost en west, en tegenwoordig die tussen noord en zuid. Het is de existentiële dreiging van de financiële en de eurocrisis die de Europeanen er weer bewust van maakt, dat zij niet in Duitsland of Frankrijk, maar in Europa wonen. De Europese jongeren ervaren voor het eerst hun 'Europese lot': beter opgeleid dan ooit stuiten zij met hun verwachtingen op een door dreigende staatsbankroeten en de economische crisis veroorzaakte inzinking van de arbeidsmarkt. Een op de vijf Europeanen onder de 25 jaar is nu werkloos.

Daar, waar de jongeren hun tentenkampen hebben ingericht en hun stem hebben verheven, eisen zij sociale gerechtigheid. In Spanje en Portugal, maar ook in Tunesië, Egypte en Israel doen zij dat – anders dan in Groot-Brittannië – zonder geweld, maar wel krachtdadig. Europa en zijn jongeren zijn verenigd in hun woede over een beleid, dat banken redt met geldbedragen die iedere verbeelding tarten, maar de toekomst van de jongeren op het spel zet.

Kosmopolitische imperatief

Als de hoop van de Europese jongeren aan de eurocrisis ten prooi valt, welke toekomst heeft Europa dan nog, dat immers steeds meer vergrijst?

In ieder geval heeft de financiële crisis één ding bewerkstelligd: iedereen (ook de deskundigen en de politici) zijn in een wereld terechtgekomen, die niemand meer begrijpt.

Wat de politieke reacties betreft, kunnen twee extreme scenario's tegenover elkaar worden gesteld. Het eerste is een Hegeliaans scenario, waarin – tegen de achtergrond van de dreigingen van het wereldrisicokapitalisme – de 'list van het verstand' een nieuwe kans krijgt. Dit is het kosmopolitische imperatief: samenwerken of mislukken, samen winnen of individueel verliezen.

Tegelijkertijd opent de oncontroleerbaarheid van de financiële crisis (en van de klimaatverandering en de migratiebewegingen) echter ook mogelijkheden voor een Carl Schmitt-scenario, een machtsstrategisch spel, waarbij – tegen de achtergrond van de normalisering van de planetaire uitzonderingstoestand – etnische en nationalistische politici weer een kans krijgen.

Paradoxaal genoeg is het succes van de Europese Unie tegelijkertijd ook één van haar grootste obstakels. Veel van haar prestaties zijn voor de mensen zó vanzelfsprekend geworden, dat zij deze misschien pas zullen opmerken als ze er niet meer zijn. Stel je voor, dat er aan de grenzen weer paspoortcontroles zouden plaatsvinden, dat er niet overal meer betrouwbare levensmiddelenvoorschriften zouden bestaan, en dat er geen menings- en persvrijheid meer zou zijn, op grond van hedendaagse normen (die Hongarije op dit moment aan zijn laars probeert te lappen, wat het land harde kritiek oplevert); dat je niet alleen op reis naar Boedapest, Kopenhagen of Praag, maar ook naar Parijs, Madrid of Rome geld zou moeten omwisselen en je weer bewust zou moeten zijn van de wisselkoersen. Het ‘Europese thuisland’ is onze tweede natuur geworden, en precies dat zou voor ons een reden kunnen zijn er lichtvaardig mee om te gaan.

Het gaat erom, dat we de werkelijkheid onder ogen zien dat Duitsland deel is gaan uitmaken van de lotsgemeenschap Europa. Anders dan bij de onder dwang tot stand gekomen lotsgemeenschap van onze concurrenten, de Verenigde Staten van Amerika en China, berust de lotsgemeenschap van Europa op een gemeenschappelijk rechtsstelsel, een gemeenschappelijke munt en gemeenschappelijke grenzen, maar ook op het principe ‘Nooit weer!’ In plaats van te verwijzen naar een nobel verleden, probeert de Europese Unie te verzekeren dat de geschiedenis zich nooit meer herhaalt.

In plaats van een superstaat te worden, of een mechanisme dat in het beste geval 'verlichte' nationale belangen vertegenwoordigt, heeft de Europese Unie een derde vorm aangenomen. Haar belangrijkste rol is een orkestrerende. Zij maakt het mogelijk tot de nationale staten behorende voorzieningen en instellingen met elkaar te verbinden, maar ook grensoverschrijdende organisaties, gemeentebesturen en regionale besturen, en zelfs civielrechtelijke organisaties.

Een circusnummer met een bliksemsnelle volte-face

Binnen dit kader heeft zich door de steunoperaties voor Zuid-Europese landen een conflictlogica tussen crediteuren- en debiteurenlanden ontwikkeld. De crediteurenlanden moeten bezuinigingsprogramma's doorvoeren en draaien daarom de debiteurenlanden de duimschroeven aan, tot de pijngrens wordt overschreden. De debiteurenlanden zijn op hun beurt aan een dictaat van de Europese Unie onderworpen, dat hun nationale onafhankelijkheid en waardegevoel ondermijnt. In beide gevallen leidt dit tot haat jegens Europa, omdat iedereen Europa alleen nog maar ziet als een opeenstapeling van verplichtingen.

Als het gaat over de eeuwige crisis die Europa heet, roept dit conflict over het toekomstmodel de volgende vragen op: in hoeverre overstijgt de opstand van de verontwaardigde jongeren daadwerkelijk de nationale grenzen en bevordert zij de solidariteit? In welke mate leidt het gevoel in de steek gelaten te worden tot een ervaring die een hele Europese generatie raakt en tot nieuwe Europese beleidsinitiatieven? Hoe gedragen zich de werknemers, de vakbonden en de Europese middenstand? Welke van de grote partijen in bijvoorbeeld Duitsland durft het aan tegen de burgers te zeggen welke waarde het Europese thuisland voor hun heeft?

Angela Merkel prefereert de omweg van het verstand, het Hegeliaanse scenario. Om het met een dansmetafoor te zeggen: ze neemt twee stappen terug en één zijwaarts, voert vervolgens een circusnummer met een bliksemsnelle volte-face op, om dat te bekronen met een stap voorwaarts, op muziek die noch de Duitsers noch de andere Europeanen kunnen horen of begrijpen. Want hoewel Helmut Kohl nog voor een Duits Europa waarschuwde en een Europees Duitsland nastreefde, bepleit Merkel een Duits euro-nationalisme: zij heeft vertrouwen in het vermogen van het Duitse toezichthoudende en economische beleid om de Europese wonden te genezen.

Historische noodzaak

Maar in het licht van de financiële crisis moet het Europees beleid van vandaag de dag zijn wat de Ostpolitik voor het verdeelde Duitsland van de jaren 70 was: een op vereniging gericht beleid, over de grenzen heen. Waarom was de enorme kosten met zich mee brengende hereniging met de DDR zo vanzelfsprekend, en waarom wordt er nu zo aangehikt tegen de economische integratie van debiteurenlanden als Griekenland en Portugal? Het gaat niet alleen om het betalen van de rekening. Het gaat er veel meer om dat opnieuw wordt nagedacht over de toekomst van Europa en over de plek die het in de wereld inneemt.

De invoering van een euro-obligatie zou geen verraad van Duitse belangen zijn. Waarom mag Europa geen belasting op financiële transacties invoeren, die niemand -zelfs de banken niet – werkelijk pijn zou doen, maar alle lidstaten ten goede zou komen en financiële ruimte zou bieden voor een sociaal en ecologisch verantwoord Europa, dat de werknemers zekerheid zou beloven – en daardoor de grootste zorgen van de jonge Europeanen zou wegnemen?

Het wankelmoedige beleid van Merkel kan de sociaaldemocraten en de Groenen nieuwe kansen geven. Zodra de SPD en de Groenen duidelijk zouden maken, dat een sociaal Europa niet zozeer een naar binnen gekeerde krenterigheid, maar – om met Hegel te spreken – een historische noodzaak vertegenwoordigt, zal zelfs de SPD weer verkiezingen kunnen winnen. Maar dan moet die partij wel de moed kunnen opbrengen het Europabeleid tot hoofdproject te verklaren, net zo als veertig jaar geleden de Ostpolitik.