Poolse jongeren zijn de eerste “overvoerde” generatie. Volgens het rapport van de Poolse overheid, ”Mlodzi 2011” (“Jongeren anno 2011”) genaamd, lijken Polen tussen 15 en 34 jaar op hun West-Europese leeftijdgenoten: bewuste hedonisten, fervente consumenten die niet zoveel op hebben met het instituut huwelijk, die hun individualisme cultiveren maar die zich ook graag inzetten voor de gemeenschap.

Ze beschouwen een baan als basis voor toekomstig succes en geluk, maar hebben steeds meer moeite om werk te vinden. Van de geregistreerde werkeloze Polen is meer dan de helft tussen de 18 en 34 jaar. De werkeloosheid in die leeftijdscategorie is twee keer zo hoog als het nationale gemiddelde van 11,7 procent (gegevens van juli 2011).

De maatschappelijke samenhang loopt groot gevaar, zoals blijkt uit het voorbeeld van West-Europa, dat de laatste jaren regelmatig wordt getroffen door uitbarstingen van grote woede onder jongeren. We hoeven maar te denken aan de branden in de buitenwijken van Parijs, de straatgevechten in het centrum van Athene, de massale demonstraties in Madrid en onlangs nog het oproer in Londen. Dit zijn allemaal duidelijke signalen van een maatschappelijke crisis.

Elk toekomstplan wordt in de kiem gesmoord

Jongeren zijn de voornaamste slachtoffers van de economische crisis. Momenteel zit 20,4 procent van de Europeanen tussen de 15 en 24 jaar die op zoek zijn naar een baan zonder werk. Dat percentage ligt ongeveer een derde hoger dan in 2008.

Toch is dit cijfer slechts een Europees gemiddelde, waarachter de grote verschillen tussen landen onderling schuilgaan. Daarbij gaat het in sommige gevallen om zorgwekkende getallen: 42 procent van de jongeren in Spanje zit zonder werk, 30 procent in de Baltische staten, Griekenland en Slowakije en 20 procent in Polen, Hongarije, Italië en Zweden.

En als jongeren er al in slagen om werk te vinden, is dat zelden een vaste baan. Slovenië en Polen zijn kampioenen in tijdelijke banen, waar 60 procent van de werknemers onder de 25 jaar een tijdelijk contract heeft. De situatie in Frankrijk, Duitsland, Zweden, Spanje en Portugal is nauwelijks rooskleuriger, aangezien ook in die landen meer dan 50 procent van de jongeren een tijdelijk contract heeft.

Een ander wijdverbreid verschijnsel in Spanje, Frankrijk en Portugal is het onderbetalen van jongeren. Spanjaarden tussen de 16 en 19 jaar krijgen slechts 45,5 procent van het salaris van een volwassene en jongeren van 20 tot 24 jaar 60,7 procent. Deze lage salarissen hebben een directe stijging van het aantal arme werknemers tot gevolg die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, ook al hebben ze een baan. De meeste van hen zijn te vinden in Roemenië (17,9%) en in Griekenland (13,8%), gevolgd door Spanje (11,4%), Letland (11,1%) en Polen (11%).

Deze mensen hebben met elkaar gemeen dat hun toekomst onzeker is, waardoor iedere vorm van plannen maken in de kiem wordt gesmoord. Bovendien zorgen de lage lonen ervoor dat ze niet fatsoenlijk kunnen leven. Het Latijnse woord Precarius betekent "verkregen door gebed". In de hedendaagse sociologie wordt daarmee een persoon bedoeld die gevangen zit tussen welvaart en armoede, die geen bestaanszekerheid heeft en voortdurend het risico loopt zijn sociale status te verliezen.

We zijn getuige van de opkomst van een nieuwe sociale klasse in de wereld, beweert Guy Standing, hoogleraar economische veiligheid aan de universiteit van Bath en auteur van het boek “The Precariat: The New Dangerous Class” (Het precariaat, de nieuwe, gevaarlijke klasse).

Industriële landen hebben pact met de duivel

Westerse regeringen slagen er al 20 jaar te verhullen dat de middenklasse gevaar loopt. In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk worden de mensen met de laagste inkomens via fiscale regelingen ontzien. In Denemarken, Duitsland en Nederland is het sociale beleid gericht op een stimuleringssysteem om weer aan het werk te gaan, om de werkeloosheidscijfers koste wat kost te doen dalen. In Frankrijk, Italië en Spanje helpt de overheid jongeren indirect door pensioenuitkeringen aan ouders te betalen, waarmee ze hun werkeloze kinderen kunnen onderhouden. De regeringen van ontwikkelde landen hebben een pact met de duivel gesloten. Dit systeem was immers niet eeuwig houdbaar en is zojuist bezweken.

De financiële crisis heeft ervoor gezorgd dat EU-lidstaten failliet dreigen te gaan en overheden kunnen het zich gewoonweg niet langer permitteren de nieuwe onderklasse te verdoezelen door middel van financiële steun. Tegelijkertijd heeft de recessie van 2009 de werkeloosheidscijfers doen exploderen en een nieuwe golf van onzekerheid veroorzaakt. Bij 97 procent van de banen die vorig jaar in het Verenigd Koninkrijk werden gecreëerd gaat het om contracten voor tijdelijk werk. In Duitsland is bijna de helft van de nieuwe banen voor bepaalde duur, nog afgezien van de 7 miljoen mensen met een "minibaantje”, waarmee ze minder dan 400 euro per maand verdienen. In Portugal werken 300 duizend mensen in deeltijd. In Frankrijk leeft 20 procent van de studenten onder de armoedegrens.

Koren op de molen van populisten

Volgens Guy Standing bestaat het Europese precariaat uit drie groepen. De eerste kan worden vergeleken met het industriële lompenproletariaat, vaak een gecriminaliseerde minderheid die neigt tot het gebruik van geweld, zoals het oproer een paar weken geleden in de straten van Londen. De tweede groep omvat hoger opgeleide jongeren. Zij willen graag aan het werk, maar zien onder de huidige omstandigheden geen mogelijkheden meer voor een uitweg uit hun situatie, terwijl ze tegelijkertijd blijven dromen van een betere wereld. Die jongeren gingen in mei in Madrid de straat op. Het belangrijkste is echter de derde groep, die wordt gevormd door oudere werknemers: in de loop der jaren zijn ze hun bestaanszekerheid en sociale status kwijtgeraakt, ze voelen zich aan de kant geschoven en leggen de verantwoordelijkheid daarvoor bij buitenlanders.

Deze groep vormt een dankbare prooi voor extremistische partijen en een serieus gevaar voor het huidige model van onze samenleving, waarschuwt econoom Standing. De nieuwe onderklasse vormt een bedreiging voor Europa, maar niet eens zozeer in de vorm van mensenmassa’s, zelfs als we die de komende jaren ongetwijfeld steeds vaker zullen zien. Het echte gevaar vormen de populisten die aan de macht komen, die zich tegen immigratie en tegen Europa keren en die door een steeds groter deel van de bevolking worden gesteund.

Conflicten op stapel tussen jongeren en ouderen

In Frankrijk floreert Marine Le Pen, zoals Geert Wilders in Nederland, de "Ware Finnen" in Finland en de "Zweedse democraten" in Zweden, over de rug van het ‘precariaat op leeftijd’. Bij het ‘jonge precariaat’ mondt een mogelijke politisering waarschijnlijk uit in een alliantie met extreemlinks, met anarchistische of neocommunistische bewegingen.

Dat voorspelt niet veel goeds voor Europa. Gezien het zwakke optreden van de Europese leiders in de economische crisis kunnen we ons maar moeilijk voorstellen dat ze daadkrachtiger zullen handelen in de op handen zijnde sociale crisis. Het gaat in dat geval niet meer om nationale belangen, maar om de belangen van generaties: er zullen conflicten ontstaan op binnenlands niveau tussen jongeren en ouderen. Vandaag de dag verdedigen de politieke elites in Europa, die zelf een dagje ouder worden, vooral de belangen van hun eigen generatie. Met als gevolg dat de frustratie van jonge werklozen alleen maar groeit.