In welke taal kan een Spaanse student in Polen zijn studie volgen? En hoe zit dat met een Poolse student in Spanje? Of een Duitse student in Zweden? En een Franse student in Litouwen? De grote hoeveelheid talen binnen de EU vormt tegenwoordig een obstakel voor de verwezenlijking van een Europees Stelsel voor Hoger Onderwijs, dat bedoeld is om de mobiliteit onder studenten te bevorderen. Als gevolg daarvan lijkt het er sterk op dat Engels gaat fungeren als lingua franca aan Europese universiteiten. Maar om dat doel te bereiken zijn investeringen noodzakelijk op de middellange en lange termijn. Dat geldt niet alleen in economisch opzicht, maar vooral op organisatorisch vlak. Bovendien zal er een grote politieke drijfkracht nodig zijn. Het zal allemaal ook niet zonder slag of stoot gaan.

Ten eerste betekent mobiliteit dat gastlanden zullen moeten gaan investeren in het opleiden van buitenlanders, van wie het collegegeld in veel gevallen (onder meer in Spanje en Duitsland) bij lange na niet voldoende is om de feitelijke kosten van hun studie te dekken. Dat betekent dat het gastland dus de opleiding betaalt voor studenten uit buurlanden zonder daar iets voor terug te krijgen. Met dit punt van overweging moeten lidstaten nog aan de slag.

Ten tweede is het aanbod aan Engelstalige opleidingen (vooral academische studies) aan de magere kant, en dan met name in de Zuid-Europese lidstaten. Zij hebben decennia lang hebben getreuzeld met de ophanden zijnde taak om degelijk Engelstalig onderwijs te gaan geven.

In deze situatie bevindt de EU zich nu, drie maanden voor de officiële lancering in 2010 van het Europees Stelsel voor Hoger Onderwijs (‘European Higher Education Area’, EHEA), waarvoor 47 landen zich hebben ingeschreven, nadat in 1999 over de oprichting ervan in de Verklaring van Bologna overeenstemming was bereikt. Tot op de dag van vandaag moeten regeringen nog met maatregelen en beleid voor deze obstakels over de brug komen.

“Volledige mobiliteit om academische studies te volgen zal nog een groot aantal jaren een uitzondering blijven, voorbehouden aan zeer prestigieuze universiteiten en de oude, vertrouwde academische studie,” voorspelt John Gimeno, voorzitter van de Spaanse nationale universiteit voor onderwijs op afstand (UNED) en tevens voorzitter van de commissie voor internationale aangelegenheden van het Spaanse college van rectoren van universiteiten (CRUE). “Het Erasmusmodel betekent weliswaar een forse stap in de goede richting, dat wil zeggen dat studenten een aantal vakken in andere EU-landen kunnen volgen. Het is bovendien een vermeerdering van het aantal graden aan verschillende universiteiten en de afspraken die universiteiten onderling maken... Maar het gaat nog een flink aantal jaren duren voordat er sprake kan zijn van volledige mobiliteit.”

“Karel V placht te zeggen dat hij Spaans sprak met God, Italiaans met vrouwen, Frans met mannen en Duits tegen zijn hond. Nu zou hij daar wellicht aan toevoegen: en Engels met studenten.” Deze anekdote vormt de inleiding voor de presentatie van een seminar dat in december in Brussel wordt gehouden over de strategieën op het gebied van taalbeleid aan universiteiten in de EU. Er staat voor Europa veel op het spel. “Zijn we beter af als we Engelstalig onderwijs krijgen?” vragen deskundigen zich af. Maar er liggen meer kwesties aan dit debat ten grondslag: Hoe kunnen we een lingua franca promoten om de mobiliteit te verbeteren en er tegelijkertijd voor zorgen dat studenten in een vreemde taal een gedegen academische vorming krijgen? In hoeverre worden talen en culturen verzwakt door een talenbeleid voor universiteiten dat te veel op de markt is afgestemd? En kan dit beleid wel worden afgestemd op het beleid om diversiteit en veeltaligheid in Europa te stimuleren?

En aan het andere uiteinde staan de Britten. Zij zijn op hun hoede. De prestigieuze Times Higher Education wijdde onlangs een hoofdartikel aan deze zaak, met als kop: ‘Het ligt op ieders tong'. “Het groeiende gebruik van Engels in het hoger onderwijs in Europa zou ten koste kunnen gaan van een essentieel concurrentievoordeel van Groot-Brittannië,” zo waarschuwt het artikel. Maar wat maakt het eigenlijk uit of Engels de lingua franca van Europese universiteiten wordt? John Gimeno, voorzitter van de UNED, antwoordt daarop: "Het Britse aanbod dekt duidelijk niet de huidige vraag naar Engelstalige studies; Scandinavische landen en Nederland vullen dat gat bijvoorbeeld op, omdat ze van oudsher al meer vakken in het Engels aanbieden.”

De laatste en wellicht voornaamste factor voor de mobiliteit van studenten is de financiering. Wie gaat nu feitelijk de rekening betalen voor studenten die in het buitenland gaan studeren? Overheidssubsidies voor universitaire studies zijn immers in de EU-landen onderling niet gelijk. In Spanje bedragen college- en inschrijfgelden aan openbare universiteiten 12% van de huidige studietoelage en de gemiddelde studiebeurs per student is daar € 5000 per jaar. In de Anglo-Amerikaanse landen komt het collegegeld overeen met 35% van de gemiddelde overheidssubsidie. In de VS bedraagt de gemiddelde jaarlijkse studiebeurs in sommige staten bijvoorbeeld grofweg € 20.000 per student. Elk EU-land hanteert een ander financieel model en dat maakt de zaken alleen maar ingewikkelder.