Nu onze nationale leiders als verlamd toekijken, zijn het andere instellingen zoals de Europese Centrale Bank, het Duitse Constitutionele Hof en het Europese Hof van Justitie die het stokje van de afhandeling van Europese zaken hebben overgenomen. Een schending van de democratie die zo snel mogelijk hersteld moet worden, vindt een Franse politicoloog.

Zouden we niet beter kunnen spreken over de huidige paradox binnen de Europese democratie nu het lot ervan afhangt van de besluiten die de Europese Centrale Bank (ECB) en het Duitse Constitutionele Hof nemen? De Europese politieke leiders lijken momenteel overtuigd van hun onvermogen, of zelfs onwettigheid, om de ‘strijd om de geloofwaardigheid’ van de landen ten opzichte van de markten te winnen. Ze stemmen daarom in met het opgeven van hun bewegingsruimte ten gunste van de ‘onafhankelijke’ instellingen en automatische sanctieprocedures (het beroemde stabiliteitspact). Rechters (nationale en Europese) en centralebankdirecteuren hebben tegenwoordig de hoofdrol bij de dagelijkse afhandeling van Europese kwesties.

Beter nog, door een soort van symbolische omkering zijn het voortaan de ‘onafhankelijken’ die het discussieterrein over de toekomst van de Unie bezetten. Daarbij reikt hun invloed een stuk verder dan alleen de functionele legitimiteit die ze aan hun initiële mandaat ontlenen. Zo stapten de bestuurders van de ECB wel heel snel van de verdediging van de ‘prijsstabiliteit’ over op het eisen van ‘structurele hervormingen’ (arbeidsmarkt, loonmatiging, enzovoorts). En zorgden ze er recentelijker nog voor dat ze midden in het hart van de discussie over de structuur van de toekomstige politieke Unie terecht kwamen.

Benadrukken van grote kwetsbaarheid

Als ze zich al niet direct bemoeien met de teksten van toekomstige verdragen zelf, zoals nu het geval is met de opdracht die de groep van ‘4 wijzen’ (de voorzitters van respectievelijk de Europese Raad, de Commissie, de Eurogroep en… de ECB) heeft gekregen. Als toppunt van ironie aarzelen deze ‘onafhankelijken’ niet om de lidstaten aan te spreken op hun democratische verplichtingen: stelde president van de Bundesbank Jens Weidmann niet net als ECB-directeur Mario Draghi meermaals dat het nodig is een zekere ruimte vrij te houden voor de ‘democratische verantwoordelijkheid’ binnen de nieuwe institutionele middelen? Stelde het Duitse Constitutionele Hof zich niet meermaals op als uiterste redmiddel voor het nationale parlement? En zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Ondanks twee decennia van de vrijwillige uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement, lijkt alles bij te dragen aan het benadrukken van de grote kwetsbaarheid van de democratische legitimiteit in de Unie en de solide basis van de apolitieke instituten zoals rechtbanken, centrale banken, instellingen en autoriteiten. De delegeringsketen die van de democratisch gekozen machthebbers naar de ‘onafhankelijke’ instituten loopt, wordt daarmee steeds langer.

Het is daarom moeilijk om zich de zelfverzekerdheid van een José Manuel Barroso eigen te maken, die afgelopen juni tijdens de G20-top nog dacht dat “Europa geen lesje in democratie nodig had” van de opkomende landen. Iemand die de “loop van de Europese opbouw wil veranderen”, kan dat beter doen vanuit de meer realistische vaststelling dat de huidige Europese democratie aan het verschrompelen is. Dientengevolge zou alleen de invoering van de directe verkiezing van de voorzitter van de Commissie – de Duitse diplomatie praat nergens anders over – niet voldoende zijn om een nieuwe democratische impuls te geven aan de hele Europese politiek. Het zou zelfs een nieuwe Europese hersenschim kunnen worden als dat besluit vergezeld zou gaan – zoals de Duitse conservatieven vurig hopen – van een toezegging voor nieuwe bevoegdheden voor de Centrale Bank en het Hof van Justitie.

Knabbelen aan competentiesfeer

De omsmelting van de politieke Unie zou in feite vooral gericht moeten zijn op het verzinnen van nieuwe vormen van democratische banden met deze ‘onafhankelijke’ instituten. Het is ongetwijfeld niet langer nodig aan hun competentiesfeer te knabbelen maar eerder om de twee pijlers waaraan ze tot nu toe hun autoriteit ontleenden, te herzien. Enerzijds hebben ze een bepaald idee over hun onafhankelijkheid die beschouwd wordt als het op afstand houden van de belangen waarmee ze geconfronteerd worden, en anderzijds geven ze blijk van een bepaalde pretentie over de wetenschappelijke objectiviteit van hun diagnoses en uitspraken.

Wat het eerste punt betreft zou de introductie van een vorm van vertegenwoordiging door de sociale partners en politieke minderheden ervoor zorgen dat een werkelijke ‘onafhankelijkheid’ gewaarborgd wordt, en zouden deze nieuwe ruimtes binnen de Europese politiek niet volledig in beslag worden genomen door een groep, een partij of een ideologie. Alleen dat pluralisme is in staat de onlosmakelijk met elkaar verbonden technische en politieke controverses op te lossen die de reikwijdte van het debat verder zullen brengen dan alleen het kringetje van economen en juristen: dat is het tweede punt. Omdat zij de leden van deze instituten nog benoemen, hebben de regeringen nog de middelen om deze zwarte dozen te openen; alleen op deze voorwaarde zullen de democratische Europese instituten, met het Europese parlement op kop, niet vervallen tot eenvoudig gezichtsbedrog.