Exit Berlusconi. Ook de laatste regeringsleider van een van de PIIGS, dat charmante letterwoord dat de Engelstaligen hebben bedacht als aanduiding voor de Europese landen die economisch gezien het minst gunstig presteren, is geveld door de enige wet die hij niet naar zijn hand heeft kunnen zetten: die van de markten.

Eerder had deze wet al de kop gekost aan de Ierse premier Brian Cowen, de Portugese premier José Socrates, de Griekse premier George Papandreou en de Spaanse premier José Luis Zapatero. Deze laatste premier blijft nog aan tot aan de vervroegde parlementsverkiezingen van 20 november, maar heeft zich, net als zijn collega’s, niet herkiesbaar gesteld. Hij kondigde aan dat hij de politiek na de verkiezingen, die zijn socialistische partij waarschijnlijk gaat verliezen, zal verlaten.

De wet van de schuldencrisis is even meedogenloos als een natuurwet en jaagt regeringen van het pluche die te zwak zijn om de crisis het hoofd te bieden. Zwak, omdat ze in deze crisis aan hun lot zijn overgelaten: we hebben gezien dat er pas solidariteit tussen de eurolanden is ontstaan toen duidelijk werd dat de euro – voor hen allen van levensbelang – in zijn voortbestaan werd bedreigd. Zwak, omdat ze moesten worden gedwongen de bezuinigingsmaatregelen te aanvaarden, waarover feitelijk niet kon worden onderhandeld, maar die werden gedicteerd door internationale instellingen als het IMF en de EU. Bovendien zwak omdat ze de steun van een volk moesten missen dat hen immers niet heeft gekozen om te moeten toezien hoe de sociale verworvenheden op losse schroeven worden gezet. En tot slot ook zwak omdat ze niet in staat bleken het volk de waarheid te vertellen, dat wil zeggen dat ze niet veel konden doen tegen de aanvallen van de markten, behalve dan proberen de schade te beperken.

Als gevolg daarvan zagen regeringen dat hun speelruimte steeds verder werd ingeperkt, dat hun rol in tijden van crisis werd teruggebracht tot het toepassen van besluiten die elders waren genomen en tot het besturen van de dagelijkse gang van zaken. De verschillen en de kloven die de politiek van “voor de crisis” kenmerkten, vervagen en politici lijken niet in staat oplossingen aan te dragen – of zich zelfs maar een voorstelling ervan te maken – die buiten de gebaande paden liggen. Burgers raken gedesoriënteerd en ze worden sceptisch over het probleemoplossend vermogen van de politiek. De politiek ziet haar mandaat nog verder afbrokkelen, ten bate van een zakenkabinet.

Toch zijn politici nog altijd de dragers van het democratische mandaat. Het probleem is alleen dat de kwesties waarmee ze worden geconfronteerd de grenzen van de nationale soevereiniteit overstijgen. Die soevereiniteit vormt zowel de basis als ook de grens voor hun actieradius. In de ogen van de burger missen supranationale organisaties zoals de EU, die veel doeltreffender zouden kunnen ingrijpen bij deze kwesties, op hun beurt juist dit democratische mandaat. Maar lidstaten aarzelen, soms ook terecht, om nieuwe bevoegdheden over te dragen aan de EU. Er zijn dan ook crises nodig zoals de huidige in Europa, met alle gevolgen van dien, om onder ogen te zien dat deze cirkel moet worden doorbroken.