Het aantal corruptiezaken lijkt toe te nemen in Europa: in Frankrijk moet de oud-president Jacques Chirac voorkomen wegens fictieve banen in de tijd dat hij burgemeestervan Parijs was; in Spanje is een grootschalige bouwfraude aan het licht gekomen; in Portugal wordt een voormalige minister ervan beschuldigd smeergeld te hebben aangenomen; in Italië gaat geen week voorbij zonder een nieuw omkoopschandaal; Bulgarije wordt regelmatig door Brussel aangespoord de corruptie aan te pakken als het land steun wil blijven ontvangen van de EU; en in Tsjechië zijn cliëntelisme en corruptie de “norm” geworden, zoals het Tsjechische weekblad Respekt betreurt.

Deze zaken bevestigen het clichébeeld dat Mediterrane landen en Oost-Europese staten het meest met corruptie te maken hebben, hetgeen Transparency International eveneens jaar na jaar laat zien. Maar we moeten de volledige werkelijkheid onder ogen zien: de grote corruptieschandalen zijn wellicht voorpaginanieuws, maar er bestaat ook een soort van stilzwijgende en kleinschalige corruptie die veel meer wijdverspreid is. Deze is veel moeilijker te bestrijden omdat ze blijft voortbestaan dankzij het goedkeuren van de burgers, die zich hier min of meer bij neerleggen al naar gelang het land en bereid zijn om twijfelachtige politici in het zadel te houden.

Globaal gezien doet de EU het redelijk goed, maar geeft ze niet bepaald het goede voorbeeld: slechts de helft van de 27 lidstaten behoort tot de 30 minst corrupte landen. De voormalige communistische staten profiteren misschien van ‘verzachtende omstandigheden’ omdat ze de afgelopen twintig jaar grote veranderingen hebben ondergaan, maar dit is niet het geval voor landen als Frankrijk, Italië of Groot-Brittannië. Die verkeren daarom in een lastige positie als ze van kandidaat-lidstaten vragen om onberispelijk gedrag te vertonen. J.S.