Hebben strategische partnerships echt nut? Acht maanden na de in werking treding van het Oostelijk Partnerschap tussen de Europese Unie en de voormalige sovjetrepublieken (Armenië, Azerbeidzjaan, Wit-Rusland, Georgië, Moldavië en de Oekraïne) is er geen enkel resultaat geboekt. En de Unie voor het Middellandse Zeegebied voor de landen aan de noord- en zuidkant van de Mare Nostrum? Daar staat het al niet veel beter mee. Het Oostenlijk Partnerschap is ergens in de buurt van Brussel kwijtgeraakt. De EU had het erg druk met het Verdrag van Lissabon. Bij de eerste vergadering die op 8 december in Brussel plaatsvond, hebben de ministers van Buitenlandse Zaken van de zevenentwintig lidstaten plus zes moeten vaststellen dat de enige vooruitgang die is geboekt van Russische kant komt: Rusland denkt erover om zich aan te sluiten bij het initiatief. Maar verder is er geen enkel concreet project en geen enkel partnerschap dit jaar. Het enige nieuwtje komt van de Europese Investeringsbank die zojuist heeft aangekondigd een lening te zullen uitschrijven voor MKB in deze landen, die hooggespannen verwachtingen hebben ten aanzien van het partnerschap. In Praag, waar het initiatief was ondertekend ten tijde van het Tsjechische EU-voorzitterschap wordt er hoop gekoesterd dat in 2010 het een en ander zal veranderen: in de nieuwe Europese Commissie zal de functie van Commissaris Uitbreiding vervuld worden door Stefan Füle. Hij zal met name Moskou ervan moeten overtuigen dat het project niet “zinloos” is, zoals Dimitri Medvedev had verkondigd. De Russische president had erbij gezegd dat het partnerschap “niet gevaarlijk” was, maar dit was geen verrassing. Hopelijk zullen de partners erin slagen hun angsten en wederzijdse vooroordelen te boven te komen. I.B.G.