**Op 1 april is de democratische werking van de Europese Unie versterkt. Dat is het argument van de voorvechters van het Europees burgerinitiatief(EBI), dat op die dag in werking is getreden. Voortaan kunnen EU-burgers de Europese Commissie “oproepen om een wetsvoorstel in te dienen”. Ze moeten daarvoor ten minste één miljoen handtekeningen verzamelen “op een terrein waarop de EU wetgevingsbevoegdheid heeft”. Ze mogen hun voorstel vervolgens presenteren aan de Europese Commissie en tijdens een openbare hoorzitting van het Europees Parlement toelichten. Als de handtekeningen zijn overhandigd hebben de commissarissen drie maanden de tijd om te besluiten of zij al dan niet gevolg zullen geven aan het voorstel, waarna de gebruikelijke Europese wetgevingsprocedure zal worden gestart.

Waar de Commissie al jaren wordt gezien als een bastion van technocraten die ver afstaan van de burgers en het Parlement als een vergadering van gedeputeerden zonder echte band met hun kiezers, vertegenwoordigt het EBI ontegenzeglijk een stap in de goede richting. Maar hoewel het fameuze “democratisch tekort” van de EU regelmatig door eurosceptici aan de orde wordt gesteld en door intellectuelen als Jürgen Habermas op de korrel wordt genomen, en anderen, zoals Ulrich Beck, oproepen tot een Europa van de burgers, heeft de Europese pers vreemd genoeg nauwelijks gereageerd op de inwerkingtreding van het EBI. Alsof het door het ontbreken van politieke dramatisering en technocratische ongerijmdheid geen enkele nieuwswaarde had.

Het gaat hier echter wel om Europees beleid, ook al zijn door het complexe karakter van de procedure meteen al veel beperkingen ingebouwd. Om te beginnen de manier om aan één miljoen handtekeningen te komen: die moeten afkomstig zijn uit ten minste zeven EU-landen en worden verzameld door een burgercomité van zeven EU-burgers uit ten minste zeven verschillende lidstaten; bovendien is op basis van het aantal inwoners voor elke lidstaat een minimum aantal handtekeningen vastgesteld.

Dat houdt in dat een voorstel slechts rechtsgeldig is als het grenzen, nationale thema's en politieke en culturele verschillen overstijgt. Het EBI zou dus de aanzet kunnen vormen tot een daadwerkelijk Europese politiek, met supranationale actiename en discussie. Blijkt deze aanpak zinvol en doeltreffend te zijn, dan wordt hiermee de weg vrijgemaakt voor wat nu nog een utopie is: verkiezing van Europese afgevaardigden via supranationale kieslijsten, of zelfs de oprichting van paneuropese politieke partijen. De Europese eenwording zou daarmee een beslissende wending nemen.

Zo ver is het echter nog lang niet, en het is nu aan de voorvechters van het EBI om aan te tonen dat de democratische werking van de Unie er inderdaad door wordt versterkt. Om te beginnen is het natuurlijk maar afwachten aan hoeveel burgerinitiatieven de Commissie gevolg zal geven. Daarnaast zullen de voorstellen relevant en representatief moeten zijn. Ze mogen dus niet slechts de belangen van een bepaalde groep in de samenleving dienen en evenmin gebaseerd zijn op de waan van de dag. Een risico vormen wat dit betreft zowel ideologische groeperingen als economische lobbyisten, ookal is benadrukt dat een burgerinitiatief “geen misbruik mag opleveren en niet lichtzinnig of ergerlijk” mag zijn. Deze beide groepen in het publieke debat zullen er immers de minste moeite mee hebben om zeven personen in zeven lidstaten te vinden voor het oprichten van een comité en het mobiliseren van medestanders.

Het EBI, een instrument dat wordt gecontroleerd door de participatieve democratie, moet dan ook serieus worden genomen en onvoorwaardelijk worden beoordeeld, om te voorkomen dat dit slechts het zoveelste Europese speeltje wordt.**